Auto belangrijker dan kwetsbare hei

De gemeenteraad van Hilversum heeft een Mobiliteitsvisie aangenomen. Daarin staat wat de gemeente de komende jaren gaat doen om Hilversum bereikbaar te houden en alle verkeersstromen in goede banen te leiden. Anno 2021 kan zo’n visie natuurlijk niet zonder de ambitie om natuur en milieu zoveel mogelijk te sparen.

Een van de opmerkelijkste ideeën is dan ook een autotunnel onder de Westerheide (tussen de Larenseweg en de Nieuwe Crailoseweg. Voor wie Hilversum niet goed kent: vanaf ongeveer het begin van de bebouwde kom komend vanaf de A1 tot einde Mediapark, ter hoogte van de televisietoren). Die route voert onder hei en bos. Kosten: minstens 250 miljoen euro. Volgens insiders zal realisatie eerder richting het miljard gaan. Waarom zo’n megalomaan en natuur slopend project, dat in een niet eens zo ver verleden al is afgeschoten?

Op de Joh. Geradtsweg staat het verkeer vaak vast, tot frustratie van aanwonenden. Auto’s stinken en maken lawaai. Al dat drukke verkeer is niet goed voor de gezondheid. Verder is het prima wonen aan de Joh. Geradtsweg: twee-onder-een-kap, ieder huis een oprit, voor- en achtertuin… Hilversums middleclass-sjiek. Enige spelbreker is dus die drukke weg voor de deur, al tientallen jaren onderdeel van de Hilversumse ring. Wie weleens van de A1 naar het Mediapark rijdt, weet welk stuk hier wordt bedoeld: van het Joop den Uylplein tot het spoorviaduct. Overigens maakt het autoverkeer met bestemming Mediapark nog geen 20% van het totale autoverkeer uit. Toch ‘eisen’ omwonenden een bypass, een nieuwe route van de A1 naar Mediapark via de verderop gelegen Erfgooiersstraat of via een tunnel onder de hei. Of ze er veel mee opschieten, is zeer de vraag.

De Hilversumse politiek is niet altijd eenvoudig te volgen. In de raadscommissie leek het er nog op dat alle partijen mordicus tegen een tunnel waren. Op D66 na. Dat is de partij van verkeerswethouder Annette Wolthers, die het plan uit haar hoge hoed had getoverd. Toen het in de gemeenteraad op stemmen aan kwam, bleken de coalitiekaarten toch net weer anders geschud. Alle negatieve adviezen van onder andere het Goois Natuur Reservaat (GNR) ten spijt, kreeg een SP-voorstel om ‘dus’ ook geen geld te verspillen aan prijzig onderzoek naar zo’n tunnel alleen steun van PvdA, Democraten Hilversum, ChristenUnie en GroenLinks.

Voor de bewoners van de Joh. Geradtsweg hoeft het niet per se een tunnel te zijn. Hun stukje ringweg omleggen via de Erfgooiersstraat mag ook. Als commissiewoordvoerder heb ik duidelijk gemaakt dat de PvdA het ‘over de schutting van de buren gooien’ van het drukteprobleem even onacceptabel vindt als een tunnel onder de hei. Aan de Erfgooiersstraat wonen minstens twee keer zoveel mensen als aan de Joh. Geradtsweg. Bovendien ligt pal naast de weg kwetsbaar bosgebied. Een directe aansluiting van de Larenseweg (N525) op de Erfgooiersstraat kan niet zonder een gigantische sloop van bos én bebouwing. Kortom, een bijna even absurd idee als een tunnel onder de hei. Zonder grote aanpassingen, via de Lindenlaan bijvoorbeeld, betekent de Erfgooiersroute dat de verkeersoverlast naar nog veel meer bewoners wordt verplaatst.

De Gooi en Eemlander suggereerde dat ik de bewoners van de Joh. Gerardtsweg, die in de raadscommissie kwamen inspreken, zou hebben gemaand ‘zich wat nederiger op te stellen’. Die conclusie is voor rekening van de verslaggever. Dat bewoners een oplossing voor het drukke autoverkeer zoeken, vind ik niet meer dan begrijpelijk. Alleen is een heitunnel noch de zogeheten Erfgooiersroute een serieus te nemen oplossing. De prijs voor beide is veel te hoog, voor mens én milieu, en het effect hoogstwaarschijnlijk nihil. Zoals gezegd, je gooit je rotzooi niet over de schutting van de buren en ook niet in de natuur. Maar dat ontslaat de gemeente niet van het zoeken naar een wel haalbare én effectieve oplossing.

Hilversum autostad

De Mobiliteitsvisie 2040 gaat nog steeds uit van Hilversum als autostad. Zelfs aan de anachronistische parkeergarages Marktgarage (Q-Park), Hilvertshof (Q-Park) en Noordse Bosje mag je niet komen, en dus stelt ook de ambitie van een autoluwe binnenstad weinig voor. Wethouder Wolthers erkent dat ook en belooft slechts een ‘emissievrije’ binnenstad. Straks dus nog wel met je dikke Tesla of elektrische Jaguar tot op het dak van de Action en de Hoogvliet, maar oma met haar pruttelende Canta is daar over enige tijd niet meer welkom.

Maar van emissievrij wordt Hilversum wel schoner, toch? Dat klopt. Maar daar hebben we geen Mobiliteitsvisie voor nodig. Vanaf 2030 mogen er toch al geen nieuwe auto’s met benzine- of dieselmotor meer worden verkocht (behalve hybride, die mogen nog tot 2035 worden verkocht). De elektrificatie van het wagen- en scooterpark zet in redelijk hoog tempo door. Misschien had D66 de bewoners van de Joh. Geradtsweg kunnen antwoorden: Tegen de tijd dat wij ons onderzoek naar de haalbaarheid van een peperdure tunnel of de Erfgooiersroute hebben afgerond, heeft u al veel minder last van uitlaatgassen en lawaaierige automotoren. Minstens de helft van het forenzenverkeer zal dan elektrisch zijn.

Laaghangend fruit

Ondertussen zijn er maatregelen denkbaar die de fileoverlast verminderen én goed zijn voor mens en milieu. Zo kan de gemeente veel meer doen aan snelheidsbeperking en een betere verkeersafwikkeling. Dat is goedkoper, realistischer en sneller te verwezenlijken dan een tunnel onder de hei. Als bewoner van de Geradtsweg zou ik daar voor gaan. Dat is allesbehalve nederig. Dwing die verwende Ferrari- en Porsche-eigenaren maar eens om 30 km te rijden in een woonstraat! De Tweede Kamer nam niet voor niets in oktober 2020 een motie aan om 30 km binnen de bebouwde kom als standaard in te voeren. Hilversum moet de motie alleen nog even uitvoeren.

Forenzen de bus en de trein in jagen helpt ook. Dan moet dan wel efficiënt en aantrekkelijk zijn. Leg transferia of P/R-parkeergebouwen aan langs de A1, de A27 en ook bij de N201. Bied snel vervoer naar het centrum en de werkgebieden (Mediapark, Arenapark) aan middels onder meer elektrische minibusjes en deelscooters/-fietsen. En wat te denken van een overdekte lopende band, zoals op vliegvelden, van het station naar Mediapark? Wees creatief.

Ook voor andere buurten geldt dat niemand zit te wachten op megaprojecten maar om s.v.p. z.s.m. zoiets simpels als om te beginnen wat extra verkeersdrempels en een extra zebrapad om dat achterlijke ge-race te stoppen. Zeker na enkele recente ongevallen, zoals op de Minckelersstraat, klinkt die roep steeds vaker. Niet dat elk ongeluk met een fietser, voetganger of scooter aan ge-race is te wijten, maar feit is dat er in Hilversum stevig wordt doorgereden, met ook alle geluidsoverlast en gevoelens van onveiligheid van dien. Zo is de Beatrixtunnel berucht om het nog even lekker extra gas geven met je auto of motorfiets met illegale knalpijp. De politie komt aan handhaven niet toe, dus de pakkans is zo goed als nihil.

Wat kunnen we doen om Hilversum veiliger en groener te maken? Maak van Hilversum een fiets- en wandelstad in plaats van een autostad. Pak het stoepparkeren (in onder meer Oost) aan, garandeer minimaal 1,5 meter doorgang op elke stoep in heel Hilversum. Stel stoplichten zo af dat fietsers niet frustrerend lang hoeven te wachten, zoals op de kruising Schapenkamp-Pr. Bernhardstraat. Haal de snelheid uit doorgaande straten, inclusief de ring, door de aanleg van drempels, versmallingen, verhoogde kruisingen en oversteekplaatsen, zebrapaden enzovoort. Dat kan ook nog effectief uitpakken tegen filevorming.

Fietspaden: ja graag, maar niet overal

Het lijkt soms taboe in fietsland om te suggereren dat je niet altijd en overal fietspaden moet willen om een route aantrekkelijk en veilig te maken voor langzaam verkeer. Buiten de bebouwde kom en langs doorgaande autoroutes zijn ze vanzelfsprekend, maar zeker in krappe binnensteden werken fietspaden soms averechts. Voorbeelden in Hilversum zijn wat mij betreft de Havenstraat en de Groest. De Havenstraat is commercieel, sociaal en verkeerstechnisch een drama, vooral vanwege de smalle vrijliggende fietspaden aan weerszijden. Op de Groest, ter hoogte van de Hilvertshof-garage, is alleen al het onderscheiden van het fietspad van stoep en straat een uitdaging, om van de oversteekplaatsen nog maar te zwijgen. Levensgevaarlijk.

Wat dan wel? In stadsstraten is een apart fietspad om meerdere redenen niet wenselijk: minder overzicht, lastiger oversteken voor de fietser, concurrentie met e-bikes, snorfietsen, e-steps etc. en het snelverkeer (naast de auto ook de brommer) voelt zich vrij om zo hard mogelijk over de ‘vrije’ rijbaan te scheuren. Rekening houden met langzamer verkeer hoeft immers niet. Beter is naar mijn mening (als niet-verkeerskundige) om straten zo in te richten dat de fietser en zijn gemiddelde snelheid er de norm zijn.

Voorbeelden in andere gemeenten bieden genoeg inspiratie. Denk aan de Amsterdamse Sarphatistraat (auto te gast) en nog dichterbij aan doorgaande 30km-routes in onder andere Bussum (Brediusweg) en Eemnes (Laarderweg). De eeuwige smoes dat het niet kan/mag vanwege Connexxion-bussen of de brandweer, of omdat een stuk weg ‘hoofdroute auto’ is, moet maar eens worden doorgeprikt.

Hoogste tijd om ook in Hilversum niet de auto vrijbaan te geven maar fiets, voetganger en openbaar vervoer.

Racistisch antiracisme – deel I

De University of Hull vindt foutloos taalgebruik elitair en discriminerend. Studenten van deze Britse provincie-universiteit mogen verkeerd spellen, grammaticale fouten maken en interpunctie verkeerd gebruiken. Hilde Roothart, student aan de Hoge School voor de Kunsten in Utrecht, pleit in de Volkskrant van 21 april voor eenzelfde aanpak in Nederland. Jammer, onbedoeld werken deze antitaal-activisten juist mee aan het vergroten van sociale en etnische ongelijkheid.

De schrijfster citeert David Crystal, een Britse taalkundige die vindt dat het belang van spellings- en grammaticaregels wordt overschat. De over te brengen boodschap moet centraal staan, redeneert Crystal. Tja, dat is nou juist de functie van spellings- en grammaticaregels: de boodschap klip en klaar, zonder risico op misverstand overbrengen. 

Master-student Nederlands Roothart haalt ook Ferdinand de Saussure van stal. Deze negentiende eeuwse taaltheoreticus onderscheidde taal als systeem van het alledaags taalgebruik, in al zijn variaties. Hem erbij slepen is misschien het gevolg van het volgen van een niet-academische ‘masteropleiding’ Nederlands, want hoe De Saussure vanuit zijn graf het afschaffen van taalregels ondersteunt, maakt Roothart niet duidelijk. 

Volgens Hull University is goed taalgebruik homogeen Noord-Europees, wit en mannelijk. ‘Hoogste tijd om taal te dekoloniseren.’ Je zult maar vrouw zijn, of gekleurd… of beide én behept met correct ‘elitair’ taalgebruik. Persoonlijk vind ik deze kwalificatie van de Hull Universiteit nogal seksistisch en racistisch, alsof er buiten Noord-Europa geen landen zijn waar men evenveel waarde hecht aan correct taalgebruik. En alsof alle niet witte, niet-mannelijke taalgebruikers straattaal spreken en geen foutloze zin kunnen opschrijven. Alsof taal, met al zijn conventies, van witte mannen is.

Roothart onderschrijft niet alleen de Hull-kritiek, ze gaat een stapje verder: er bestaat zoiets als language privilege, in goed Nederlands ‘taalprivilege’. Met als ‘logisch’ gevolg dat de een meer recht heeft op taal dan de ander, zo concludeert Roothart. Hoe die logica in elkaar steekt, legt ze helaas niet uit. Bedoelt ze dat laaggeletterden geen boeken of kranten mogen lezen? Of dat hoogopgeleiden meer ‘recht van spreken’ hebben? Ondertussen stelt Mark Rutte mijn geduld op de proef door in zijn corona-persconferenties steevast in extra traag, overdreven gearticuleerd en zo simplistisch mogelijk Nederlands het volk toe spreken. Ik voel mij als hoogopgeleide allang niet meer geprivilegieerd, in elk geval niet aangesproken.

Natuurlijk hebben de antitaal-activisten een punt. Taalgebruik kan onderscheidend zijn. Je kunt in de regel aan iemands taalgebruik horen of aflezen of diegene hoogopgeleid is of niet. Daarop gelden echter tal van uitzonderingen – al kunnen die als bevestiging van de regel worden gezien – zoals de computernerd die zelden een boek leest of de import-wetenschapper die na twintig jaar haar Duitse accent nog altijd niet kwijt is. Of ze om die reden worden gediscrimineerd of in hun carrière geremd durf ik te betwijfelen. 

Het is waar dat elitair taalgebruik, jargon, ambtelijke- en overige dieventaal (argot), nogal eens tot doel hebben anderen buiten te sluiten. Die ander is overigens niet per se en in de praktijk zelden iemand van een andere etnische groep of sociale klasse maar meestal een ‘leek’, iemand die niet tot een professionele of subculturele incrowd hoort. Andersom gebeurt ook. Probeer maar eens als brave burger, ongeacht kleur of origine, een gesprek tussen straatjongens in de Amsterdamse Bijlmer te volgen. 

Wat beweegt antitaal-activisten als Roothart? Zelf noemt ze haar zeventienjarige, laaggeletterde zoon met het syndroom van Down als inspiratie. En de Hull University? Een half uurtje Britse websites afstruinen levert geen bijzonder hoge score op voor deze provincie-universiteit. Ze zit in elk geval niet bij de top 50, met één lichtpuntje: Hull staat mooi wel op de 25e plaats op de ranglijst van ‘beste Engelse universiteiten in creative writing’ (bron: www.ukuni.net).

Nee, we hoeven niet allemaal foutloos te schrijven. De installateur, dakdekker, automonteur, verpleegster en ook de accountant, statisticus, scheikundige hebben wel wat beters te doen. Zo ook mijn zoon, die wit en middleclass, met een uitstekende start op een van de meest elitaire basisscholen van Amsterdam, nooit een held in de Nederlandse taal is geweest. Maar wel een zeer intelligente top-IT’er. En toch blijf ik hem corrigeren als hij een woord verkeerd uitspreekt of een wel heel curieuze grammaticale constructie uitkraamt, en daar is hij mij dankbaar voor want hij is nu eenmaal leergierig.

De University of Hull maakt vast school onder gelijkgestemde middelmatige opleidingsinstituten. Maar reken er niet op dat Oxford en Cambridge hun taalstandaard laten zakken. Onderwijsdevaluatie, waar het laten vieren van spellings- en grammatica-eisen toch op neerkomt, versterkt de positie van elite-onderwijs en verzwakt de kansen van leerlingen uit een achterstandspositie. Het versterkt ongelijkheid en daarmee onbedoeld ook racisme.

Verheffing van de arbeidersklasse was ooit het hogere streven van de socialistische beweging. Emancipeer mensen door ze een goede opleiding te geven, door ze te leren hoe de wereld in elkaar steekt en ze taalvaardig te maken. Door boeken te lezen verhef je jezelf, leerde mijn moeder zaliger mij. Zij was van eenvoudige komaf, en las alles wat los en vast zat. Dankzij haar ben ik Nederlands gaan studeren, en daar ben ik haar nog altijd dankbaar voor. Taal is te mooi om af te doen als louter parole, laat staan om te worden geofferd op het altaar van de politieke hypercorrectie.

In Nederland zijn bijna 2,5 miljoen mensen laaggeletterd. Hun aantal neemt eerder toe dan af. Nederland is een van de landen met het grootste verschil in taalvaardigheid tussen autochtonen en migranten. Het missen van basisvaardigheden zorgt voor uitsluiting, stelt Unesco-leerstoelhouder Maurice de Greef. Unesco doet aanbevelingen om dit tij te keren. Daar zit niet het advies bij om de taalregels los te laten.

De foto boven dit artikel is van de Unesco-website afkomstig: taalonderwijs in Senegal

Februaristaking in coronatijd

De indrukwekkende herdenking van de Februaristaking elk jaar bij de Amsterdamse Dokwerker doet soms vergeten dat ook elders in de regio massaal tegen de jodenvervolging is geprotesteerd. De grootste staking buiten Amsterdam vond in Hilversum plaats, destijds een industriestad van betekenis. Vanwege alle corona-beperkingen is deze heldhaftige gebeurtenis op 26 februari 2021 – precies 80 jaar na dato – op ingetogen wijze herdacht, met onder meer een uniek beeld- en geluidsdocument.

Of komende herdenking, op woensdag 26 februari 2022 op Seinhorst, wel met publiek kan plaatsvinden is op dit moment nog onduidelijk. Vanwege de pandemie vond er afgelopen jaar geen publieke herdenking van de Februaristaking van 25 en 26 februari 1941 plaats, niet in Amsterdam en niet in Hilversum. Wel was de traditionele kranslegging door de burgemeester online te zien, onder meer via www.februaristakinghilversum.nl en op Youtube.

De tachtigste editie ging ondanks de beperkingen niet ongemerkt voorbij. Burgemeester Pieter Broertjes en Martin Veltman, zoon van stakingsleider Ab Veltman, legden een krans bij het NSF-kunstwerk. Op die plek riep de Hilversumse Fokker-werknemer Gerrit Meerbeek in het begin van de middag op 25 februari werknemers van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (latere Philips) op om het werk neer te gooien, in navolging tot zijn Amsterdamse CPN-partijgenoten bij onder meer Fokker en het vervoersbedrijf.

Kransen werden ook gelegd door de Bond van Anti-Fascisten/Anti-Fascistische Oudverzetsstrijders Nederland, de Vereniging Kinderen van Verzetsdeelnemers 1940-1945 en het Herdenkingscomité Februaristaking Hilversum.

Stadsdichter Charlotte de Raad schreef voor de gelegenheid een gedicht. Haar voordracht is door televisiemaker Leo Kerkhoff in Fabrique Unique opgenomen en online vertoond. Kerkhoff registreerde ook het indrukkende audioverhaal van de Hilversumse Toos Weimer-Smeulders. Zij vertelt hoe zij als jong meisje joodse gevangenen uit de goederenwagons hielp ontsnappen. Zij woonde destijds en nog steeds aan het spoor. Samen met een buurtvrouw redde de jonge Toos circa 45 joden van deportatie naar de vernietigingskampen. Drie van hen bleven in het pand van Weimer en de buurpanden ondergedoken.

In plaats van zijn geplande toespraak op Seinhorst is Martin Veltman in zijn Amsterdamse atelier geïnterviewd. Veltman publiceerde eerder de memoires van zijn ouders, die beiden in het verzet zaten. Zijn moeder was zelf joods. Het fraai vormgegeven document Ik heb niets warms voor de winter is in de betere boekhandel en online te koop.

De volledige compilatie, met Charlotte de Raad, Toos Weimer-Smeulders, Martin Veltman en een inleiding van commissie-duovoorzitter Jan Schriefer (FNV) is hier te zien. Daarin ook een toespaak van Hilversum’s burgemeester Pieter Broertjes.

Deze verhalen en veel andere over de Februaristaking van 1941 en het verzet tegen de nazi’s zijn ook via www.februaristakinghilversum.nl te zien en te horen zijn.

Pak kinderarmoede aan, durf te verheffen

Volgens sommige van de oudere generatie, alles boven de pakweg vijftig, wordt Nederland dommer. Ze brengen in herinnering hoe het in hun tijd niet ongewoon was om een paar woordjes Frans en Duits te leren en een boek te moeten lezen. Kom daar nu eens om in het onderwijs, met uitzondering van een enkel super elitair smal gymnasium aan de rand van een lommerrijk villapark. Ik vrees dat die oudere generatie – waar ik zelf ook toe behoor – gelijk heeft. Niet alleen in het onderwijs is sprake van vervlakking, of in hardere termen ‘debilisering’ en ‘infantilisering’, maar ook in de media en de politiek. Verheffing is allang geen ideaal meer. Tegelijkertijd neemt de kinderarmoede toe. Nederland scoort internationaal slecht als het gaat om kinderen die in armoede opgroeien. Zou er een verband zijn?

NRC schrijft (19 juli 2020) dat Nederland kampioen is in het verminderen van armoede bij ouderen. Dat doen we beter dan Frankrijk en Duitsland. Het toeval wil dat ik dit stukje in Dijon schrijf, midden in la douce France. En inderdaad, een bejaarde bedelaar – niet zijnde een junk – die ’s ochtend om 7.30 uur bij de deur van de boulangerie beleefd om wat kleingeld vraagt zul je in Nederland niet snel zien. Maar terwijl het met de ouderenzorg nog wel snor zit, komen arme kinderen er bij ons juist slechter af dan in de ons omringende landen. 

Het NRC-artikel baseert zich op een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Planbureau. Dat baseert zich op zijn beurt op internationaal onderzoek. Hoogleraar Koen Caminada van de Universiteit Leiden deed daaraan mee. Hij onderzocht het armoedebeleid in 49 landen. Ook hem viel op dat zelfs een land als het Verenigd Koninkrijk beter scoort. Daar stoppen ze meer geld in het bestrijden van kinderarmoede dan bij ons.

Helaas blijkt dat geen remedie tegen armoede in het algemeen. Die is Groot-Brittannië vele malen groter en stukken grauwer dan in Nederland. Het NRC-artikel: ‘Het gros van de kinderen dat arm opgroeit, is niet arm als volwassene…’ De kans om armoede te ontgroeien is in Nederland groter dan in Engeland. Dat is niet om de ernst van kinderarmoede te relativeren, de zin loopt namelijk door: ‘…maar ze lopen wel een twee keer zo hoog risico om later arm te zijn dan andere kinderen.’

Aanpak van kinderarmoede is hoe dan ook hard nodig, in het belang van de getroffen kinderen en in ons aller belang. Jongeren zonder perspectief komen sneller in de verleiding om voor het makkelijke geld, de criminaliteit te kiezen. Hun binding met de samenleving is minimaal. Ze zullen gevoeliger blijken voor indoctrinatie door rechts-extremisten en islamitische (-nationalistische) fundamentalisten. Zie het ‘succes’ van een neofascist als Thierry Baudet onder met name ongeschoolde en vaak ook verwarde personen.

Hoe komt het dat Nederland zijn armere jeugd zo in de steek laat? De politieke verklaring is dat de jeugd electoraal minder boeit dan ouderen. Een andere Leidse hoogleraar merkt cynisch op: ‘Arme kinderen zijn ook minder ‘dramatiseerbaar’ als groep.’ Dit in tegenstelling tot kwetsbare ouderen in verpleeghuizen, aldus bijzonder hoogleraar Arco Timmermans, specialist politieke agendavorming. Met zielige bejaarden, al dan niet verpieterend in een verzorgingshuis, heeft iedereen wel te doen. Aandacht vragen voor hun ellende is makkelijk scoren, voor middenpartijen als het CDA en de VVD en zeker voor partijen als 50-Plus, FvD en PVV.

Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer merkt op dat kinderarmoede zich ook nog eens vooral bij burgers met een niet-westerse achtergrond concentreert. Een toch al gemarginaliseerde groep, ‘waar al minder politieke aandacht voor is’, meent Kalverboer, en die zich gemiddeld ook minder met de Nederlandse politiek bezighoudt. Wat ze er niet bij zegt: Populisten maken bovendien dankbaar gebruik van het feit dat armoede ook onder immigranten nogal eens tot verbittering en misdaad leidt, tot een zeker nihilisme. Je hoort het ze zeggen: ‘Zie je wel, de gevangenissen zitten vooral vol met rijksgenoten en Marokkanen.’ Anders gezegd, Baudet en Wilders hebben geen belang bij de aanpak van kinderarmoede, ze profiteren juist van meer armoede onder allochtonen.

We verzorgen kinderen maar versterken ze niet

Hoe pak je kinderarmoede aan? Margrite Kalverboer vindt dat er te veel in korte termijn-effecten wordt gedacht, in makkelijke materiële oplossingen: ‘Je geeft een kind een fiets, een laptop. Je zet ze op een sportclub. Dat is natuurlijk goed, zeker in deze crisis. Maar wat als er geen vervoer is naar de voetbalclub of het balletpakje niet wordt gewassen? (…) We verzorgen de kinderen, maar versterken ze niet.’ SCP-onderzoeker Stella Hoff in NRC, in antwoord op de vraag of Nederland slechter is geworden in het verheffen van kinderen uit armoede: ‘We worden er in elk geval niet beter in. De kansenongelijkheid in het onderwijs, dat een kind van laagopgeleide ouders een lager schooladvies krijgt, speelt daar een rol in.’ 

Daar is-tie dan, de vergeten term ‘verheffing’. Wie heeft dat eigenlijk nog in zijn partijprogramma staan? Van oudsher was dat de PvdA. En inderdaad, in het Verkiezingsprogramma 2017 komt de term zegge en schrijve één keer voor: ‘Wij zien verheffing, ontplooiing, emancipatie, zeggenschap en zelforganisatie van burgers als een doorlopende opgave. In het verleden hebben sociaaldemocraten gestreden voor onderwijs en cultuur voor iedereen, voor medezeggenschap en de ondernemingsraad, voor De weg naar vrijheid, Een leven lang leren, Baas in eigen buik en Bouwen voor de buurt.’ De sociaal-democraten lijken hier zelf toe te geven: Das war einmal. Hopelijk wordt deze ideologische blunder in het komende verkiezingsprogramma hersteld. Er zijn genoeg gezaghebbende instanties die dat een goed idee zouden vinden.

Helaas is verheffing niet meer populair. Een nare eigenschap van vervlakking en debilisering is dat de getroffenen eerder om nog minder ontwikkeling vragen dan om verheffing. Achteruitgang is ook hier zelfversterkend. Waarom moeite doen om een boek te lezen als je onderuit gezakt naar een Marvel-stripverfilming op Veronica kunt kijken, met een vette hamburger in je klauwtjes in plaats van met mes en vork moeten opzitten om van een met zorg bereide maaltijd te genieten. Of verstand op nul bij de zoveelste simpele soap op SBS/RTL.

Jezelf laten verheffen is vermoeiend én confronterend. De impliciete ‘belediging’ van het verheffingsideaal is immers dat er wat te verheffen valt. Dat soort kritiek past al helemaal niet in onze zelfbewuste, narcistische tijdgeest. Daarbij zoeken simpelen van geest het liever in dito antwoorden, en worden daarin dankzij ‘sociale’ en de klassieke populaire/commerciële media op hun wenken bediend. Het aantal rechts-populistische voormannen is sinds de aanloop naar WO-II wereldwijd niet zo groot geweest. 

En dan is nog de eerder genoemde gemarginaliseerde groep van immigranten, die zich afvraagt: ‘Verheffing? Naar wiens normen dan wel? Naar de normen van een racistische cultuur, die mij en mijn ouders altijd heeft afgewezen?’ Een naïeve gedachte, hoe begrijpelijk ook vanuit het perspectief van lieden die uit woede standbeelden van hun sokkels trekken. Ze hebben helaas meer gemeen met de nihilistische aanhang van extreem-rechts dan ze allicht denken. Ook die laatste nihilist heeft zo zijn reden tot woede, tot zich afzetten tegen de maatschappelijke orde.

Verheffing: het vergeten ideaal

Bij verheffing denkt men in de eerste plaats aan het onderwijs. En daar gaat het al mis, al decennialang. Matige arbeidsomstandigheden, slechte salariëring en navenante statusverlaging maken het vak van leraar almaar onaantrekkelijker. De kwaliteit van het onderwijs staat al heel lang onder druk. De helft van de scholieren leest nooit een boek. Het welvarende Nederland bungelt onderaan de internationale ranglijst van lezende landen. Ook hier tekent de ‘ver-Amerikanisering’ zich af. En dat treft vooral de scholen waar de economische onderklasse meest naartoe gaat, niet zozeer het eerder genoemde smalle gymnasium.

Maar verheffing is geen zaak van het onderwijs alleen. Ook de media spelen een cruciale rol. Ze zijn een spiegel van de samenleving, voeden en reproduceren onze collectieve kennis van de wereld en zijn de norm voor wat je moet weten om überhaupt mee te kunnen praten. Des te treuriger is dat de meeste zendgemachtigden en uitgevers de laaggeletterde, niet ontwikkelde burger als belangrijkste doelgroep zien. En dat ze laaggeletterdheid en stupiditeit als norm nemen, uit louter commerciële motieven: klantenbinding. Zelfs het NOS-Journaal spreekt zijn publiek steeds vaker op een kinderlijke toon aan, met versimpelde nieuws-items.

Pak jeugdarmoede aan, investeer in onze toekomst, snij ultra-rechts en fundamentalisten de pas af! Kortom durf weer te verheffen, om te beginnen in het onderwijs maar zeker ook in de media en de politiek. Verhef de jeugd en versterk ze, in plaats van minima te pamperen met wat gratis spullen. PvdA, durf verheffing weer tot speerpunt te maken in het verkiezingsprogramma, want zonder verheffing is de sociaal-democratie ten dode opgeschreven.

Stok tussen de benen

De racistische moord op George Floyd door een Amerikaanse politieagent leidde tot wereldwijd protest tegen racisme en discriminatie, ook in Nederland. Eén bescheiden resultaat is al behaald: premier Mark Rutte heeft zijn VVD-standpunt laten varen dat Zwarte Piet nu eenmaal zwart is. Uiteraard reageerden Geert Wilders en Thierry Baudet furieus. Je pakt een kind niet zijn speelgoed af, al bepleit de premier nadrukkelijk geen verbod op de figuur Zwarte Piet. Maar je als ‘elite’ alleen al over een volksgebruik durven uitspreken is al behoorlijk gewaagd.

In Stemmen van Marrakesch schrijft Elias Canetti over een ezel op een nachtelijk marktplein, de beroemde Djema el Fna in de medina van Marrakesh. Het is begin jaren ’50. Canetti: ‘Het dier was vel over been, het was volkomen uitgehongerd, zijn vel zat vol kale plekken; het was beslist niet meer in staat om de lichtste last te dragen.’ De arme ezel werd door een man, een entertainer avant-la-lettre, in een ‘komische dialoog’ aan het bewegen, eigenlijk aan het dansen gebracht. Canetti schrijft: ‘…na een landurig palaver begon het arme dier zich langzaam draaiend op de muziek te bewegen.’ De menner houdt daarbij een stok boven de ezel. Dit alles tot groot vermaak van de omstanders.

De volgende ochtend staat de ezel weer op het marktplein en ziet er even belabberd uit, zo mogelijk zelfs nog beroerder: ‘Zijn vel zag er in het stralende zonlicht nog afgeschaafder uit dan ’s nachts. Hij kwam mij miserabeler, meer uitgehongerd en ouder voor.’ Maar dan, als de schrijver zich even heeft omgedraaid en opnieuw naar de arme ezel kijkt: ‘…het was dezelfde ezel niet meer. Want tussen zijn achterpoten, schuin naar voren, bungelde plotseling zijn enorme geslachtsdeel.’

Elias Canetti eindigt het verhaal van de ezel met de woorden: ‘Ik wens ieder gekweld en ongelukkig mens zijn lust toe.’ Het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’ staat (in de vertaling) in cursief. Wat bedoelt de schrijver-filosoof daarmee, met het verhaal van de arme, geile ezel überhaupt? Canetti maakte de opkomst van het nazisme mee. Als sefardische jood moest hij Wenen ontvluchten toen Hitlers leger in 1939 Oostenrijk binnenmarcheerde. Ook zag hij hoe twaalf jaar eerder een arbeidersprotest bruut werd neergeslagen. De Weense politie schoot negentig demonstranten dood. Canetti leerde hoe het fascisme ontluikt, wortel schiet op de resten van een stervende cultuur. In Wenen en Berlijn leerde hij de signalen op te vangen. Het inspireerde hem tot het schrijven van De fakkel in het oor.

Thierry Baudet, zelf niet van vreemde smetten vrij (Indonesische afkomst en naar de achternaam te oordelen ook nog Frans bloed), studeerde rechten en geschiedenis. Baudet betekent ezel in het Frans. Maar om bij de ezel van Canetti nu meteen aan de FvD-aanvoerder te denken, is wat ver gezocht en niet aardig. Eerder herken ik in Canetti’s ezel Baudets achterban, de groeiende kudde stemvee die zich al decennia gekweld en ongelukkig weet. Ik schrijf dit zonder leedvermaak of ironie. 

De witte boze man pikt zijn – al dan niet vermeende – achterstelling net zo min als onze jongeren van niet-kaaskoppige afkomst het nog langer pikken dat zij vanwege hun teint of naam worden gediscrimineerd. Het is alleen makkelijker – zelfs voor het conservatievere deel der natie – zich in te leven in de frustraties van deze jongeren dan in die van hitsige, rechtse witte tokkies en hun ezeldrijvers. Het medeleven gaat eerder uit naar George Floyd dan naar Derek Chauvin, de blanke smeris die Floyd in Minneapolis vermoordde. Nog wel…

Hardcore rechts denkt natuurlijk allang het zijne van de zo dramatisch verlopen arrestatie en de reacties daarop, het ‘looting’. Kijk maar eens op Geenstijl.nl, de zogenaamd satirische website van De Telegraaf, annex propagandakanaal van FvD/PVV. ‘Floyd zal het er wel naar gemaakt hebben’ en ‘je zal maar politieagent zijn en dag in dag uit met die criminele zwarten te maken hebben’. Dat soort geluiden. En uiteraard ‘is’ de media de schuld, want links en elitair.

Wat heeft ultra-conservatief eigenlijk tegen de elite? En wie horen daarbij? Ze doelen vast niet op Elias Canetti of zijn intellectuele erfgenamen, en blijkbaar ook niet op de eigenaars van de grootste krant van Nederland, of welke grootondernemer dan ook. Zelfs niet op Thierry Baudet, kleinzoon van een hoogleraar, gymnasiast, doctor in de rechten en bewoner van de Amsterdamse grachtengordel.

Nee, Baudet is bepaald niet van de straat, in elk geval niet van dezelfde straat als de meeste van zijn kiezers. En dat geldt voor de meeste populisten, oh ironie! Van Trump tot Bolsonaro en van Erdogan tot Johnson, ze hoorden al tot de (economische) elite voordat ze aan de macht kwamen. Ze hadden zich vaak al lang rijk gestolen over de ruggen van het proletariaat. Maar wat doet het ertoe? De intellectuele, culturele en politieke elite is niet meer dan een zondebok, de immigrant, de gekleurde jongere, de intellectueel, de milieuactivist, de antifascist, de journalist, de jood van nu. Zonder zondebok geen macht, wist Hitler al.

Canetti over het harde geslachtsdeel van de ezel in Marrakesh: ‘Het was sterker dan de stok waar men hem de nacht daarvoor mee had gedreigd.’ De fakkel in mijn oor voorspelt een nieuw opkomend fascisme, dat met de middelen van nu net zo gewelddadig zal zijn als in de jaren ’30 van de vorige eeuw. Daarbij vergeleken waren de plunderingen in de VS kinderspel.

Basisbaan of slavernij

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bepleit ‘basisbanen’, voor mensen die al lang werkloos zijn, met weinig kans op de arbeidsmarkt. En ook voor sommige andere werkzoekenden. Een basisbaan geeft recht op het minimumloon, in plaats van een uitkering. De WRR denkt aan banen als schoolconciërge, buurthuisbeheerder of ondersteunende kracht in een verpleeghuis. ‘Werk dat anders niet of te weinig gebeurt’, schrijft de WRR. Zeker de PvdA (en andere linkse partijen) zou dit idee bijzonder kritisch moeten beschouwen, ondanks alle enthousiasme omdat het mooie herinneringen aan Ad Melkert oproept.

Als ‘kandidaat-basisbaan’ noemt de WRR functies die nu te weinig worden uitgevoerd. Dat is vooral het resultaat van decennia van bezuinigen op belangrijk werk, dat inmiddels is ondergewaardeerd als klussen die anderen er wel even bij kunnen doen. Laat leraren maar wat conciërgetaken uitoefenen, laat buurthuizen door vrijwilligers runnen, geef ziekenverzorgers er huishoudelijk werk bij. Het resultaat is een nóg zwaardere belasting van toch al zware, matig betaalde beroepen én het nog verder devalueren van beroepen die wel degelijk cruciaal zijn maar in onze emancipatie-ijver en zucht naar efficiëntie moesten sneuvelen. 

Denk ook aan winkel- en magazijnpersoneel, eenvoudig productiewerk, reparatiewerk (vervangen door de wegwerpmaatschappij). Dit soort beroepen definitief als werkverschaffing benaderen doet deze beroepen en hun beoefenaars ernstig te kort.

Recht op minimumloon

De WRR koppelt de basisbaan aan het recht op een minimumloon. Dat is een gevaarlijke koppeling, die de PvdA om principiële economische redenen nooit kan en mag volgen. Het minimumloon is een werknemersrecht en een werkgeversplicht, ongeacht de status van het werk, dus ongeacht de vraag of er sprake is van een werkverplichting (basisbaan) dan wel vrijwillig aangenomen werk. Arbeidsmigranten worden nu al onderbetaald.

De koppeling zet bovendien de deur open naar een ‘maximuminkomen’: werk dat als basisbaan wordt verkocht zal in de ogen van werkgevers niet alleen minimaal maar ook maximaal het minimumloon hoeven te kosten. Ideële/maatschappelijke organisaties zullen dit noodgedwongen doen vanwege hun maatsubsidies, (semi-)commerciële werkgevers (ook zorginstellingen, ziekenhuizen) vanuit hun economisch belang: waarom extra betalen voor wat je gratis krijgt? 

Verdere devaluatie van belangrijk werk is dus een belangrijk bezwaar, in combinatie met je reinste concurrentievervalsing. Bijkomend effect: verdere ondermijning van de rechtspositie van werkenden in genoemde functies. Nog principiëler is de hamvraag: is werkverplichting geen verkapte slavernij? Wat anders is een basisbaan, als verplichting – min of meer, want nog net zonder ball and chain – tegen betaling van een minimumloon? 

Alternatief: basisinkomen

Het verschil tussen een basisbaan en een basisinkomen kan niet groter zijn. Bij de laatste staat een recht voorop, geen plicht. Aan het basisinkomen worden geen voorwaarden gesteld, buiten ingezetenschap en leeftijd plus eventueel nog enkele jaren van aanvullende eisen in de sfeer van opleiding/stage. Het idee is juist dat een regelarm basisinkomen in plaats van het huidige complexe, dure en vaak invaliderende uitkeringsstelsel mensen eerder tot activiteit en zelfs betaald werk aanzet.

Opmerkelijk: WRR-onderzoeker en bijzonder hoogleraar Monique Kremer signaleert dat ‘de manier waarop we werken aan het veranderen is‘. Door flexibilisering en inzet van technologie wordt de arbeidsmarkt onzekerder en veeleisender. Daardoor is er een groep die geen baan vindt. Maar in plaats van dit veranderende systeem te hekelen en te kijken hoe we dit neoliberale tij kunnen keren (ook door de coronacrisis uiterst actueel), biedt Kramer de nieuwe slavernij liever de helpende hand.

Werkbrigade oftewel Melkertbaan 2.0

Valt er dan helemaal niets te zeggen voor een soort basisbaan, de werkprojecten waar de WRR aan refereert? Zo wordt de Amsterdamse Werkbrigade als voorbeeld genoemd, al geeft de WRR grif toe dat de opstapjes die deze organisatie biedt nog absoluut geen basisbanen zijn, want immers géén verplichte werkverschaffing. Inderdaad lijken ze meer op de vroegere Melkertbanen.

Er zijn mensen die, om uiteenlopende redenen, een steuntje in de rug kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld bij oriëntatie op werk en het eventueel weer oppakken van een werkpatroon. Of als extra begeleiding bij herstel (fysiek, psychisch en sociaal, maar ook het in kader van leer/werk). Soms in de vorm van langdurige begeleiding om actief aan de maatschappij deel te (blijven) nemen bij chronische ziekte, beperking enzovoort.

Het kan daarbij om commercieel (productie-)werk gaan maar ook om dienstverlenende taken of creatief werk. Denk aan de gehandicapte die – nu vaak als vrijwilliger – voor een ziekenomroep werkt, ieder kwartaal een buurtkrant in elkaar zet of in de kinderboerderij werkt.

Dit soort werk vanuit de overheid ondersteunen en aanmoedigen is een prima zaak maar zou ik geen ‘basisbanen’ willen noemen, laat staan ze verplichten. Dan schieten ze hun doel voorbij. Wel mag het aanspraak kunnen maken op dit soort activiteiten, door mensen die op een andere manier niet aan de bak komen, een burgerrecht worden. Als dát de inzet van de PvdA wordt, verdient de partij daar alle steun voor.

Foto: Bedelaar in het Noord-Franse Lille (@JPLahaise)

Basisinkomen/-zekerheid

Een sociaal antwoord op een nieuwe economische realiteit

Het PvdA-congres nam op meerdere momenten voorstellen aan om na te denken over inkomenszekerheid in de 21e eeuw. Een van die moties haalt expliciet het begrip ‘basisinkomen’ uit de taboesfeer (2015, motie 37 onderzoek voorwaardelijk basisinkomen). Hetzelfde congres omarmde ook motie 50 van Gerben Welling: laat gemeentes experimenteren met de bijverdiencapaciteit naast de uitkering. Een inkomens- of basiszekerheid, ongeacht het hebben van betaald werk en het al dan niet voldoen aan uitkeringsvoorwaarden, leeft in brede – vooral progressieve – kring. 

Om te beginnen zijn de bestaande uitkeringen zeer complex, want aan strikte voorwaarden gebonden zoals arbeidsverleden en -capaciteit, het al dan niet verzekerd zijn, gezinssamenstelling en (woning)bezit. Dat was altijd zo maar veel van deze complicaties worden almaar urgenter omdat steeds meer burgers (ook de lagere economische klassen) bijvoorbeeld woningbezitter zijn of als (semi-)zelfstandige hun brood verdienen. Steeds minder mensen passen naadloos in het sjabloon van de standaard-uitkeringsgerechtigde.

De controle op alle voorwaarden en de naleving daarvan tijdens de uitkeringsperiode wordt almaar arbeidsintensiever en dus duurder. De samenleving, vooral het progressievere deel der natie, meent die kosten te moeten opbrengen om draagvlak onder het vangnet te behouden. Misbruik leidt immers onvermijdelijk tot afkalving van dat draagvlak. Ontvangers voelen zich door alle controle en regeldrift snel gestigmatiseerd of schuldig aan hun situatie, ook als zij daar weinig tot niets aan kunnen doen. 

En dan is er de hoogte van de uitkering, meestal ontoereikend om de levensstandaard waar men aan gewend is ook maar enigszins vol te houden. Voor uitkeringsgerechtigden (van WW en arbeidsongeschiktheidsuitkering tot bijstand en AOW zonder serieus aanvullend pensioen) dreigt meestal armoedeval. Tekenend is de forse toename van het aantal voedselbanken in Nederland. Het past zeker de PvdA – sterker, het ‘dwingt’ deze partij – om een sociaal, menswaardig, passend en economisch haalbaar antwoord te vinden. De voedselbank, met alle respect, is dat niet. Een basisinkomen is dat wel, biedt perspectief, concreet dat van basiszekerheid.

Ervaring met basisinkomen is er al

Basisinkomen impliceert een vast bedrag waar iedere ingezetene recht op heeft. Daar zit direct het grote verschil met andere uitkeringen, behoudens de AOW, oftewel het ‘basispensioen’. Ook de algemene ouderdomswet is in essentie een basisinkomen, in beginsel voor iedere Nederlandse ingezetene vanaf 65 jaar die het grootste deel van zijn volwassen leven in Nederland heeft gewoond (en gewerkt, al dan niet via detachering). Zelfs de koning heeft recht op AOW. De enige voorwaarde voor het ontvangen van basispensioen is het hebben meebetaald via de premievolksverzekeringen. Hier zit natuurlijk wel een fundamenteel verschil met het basisinkomen (BI).

Het BI-recht dient op relatief jonge leeftijd (al dan niet onder voorwaarden van werk/studie/maatschappelijke inzet) in te gaan, dus zonder de eis dat er eerst een werkzaam leven lang premie is betaald. Voor critici is dit een even fundamenteel als praktisch bezwaar. Hoe valt een basisinkomen te financieren wanneer een groot deel van de mensen besluit om daar genoeg aan te hebben? De reële verwachting is echter dat het grootste deel van de bevolking ook met een BI gaat, respectievelijk blijft werken. Het zit in de mens om bezig te willen zijn, voor zichzelf en de ander te willen zorgen en zijn/haar talenten uit te leven. Kijk alleen al naar het grote aantal actieve gepensioneerden, dat als vrijwilliger of als gewoon bezoldigde gewoon aan het werk blijft. Markt en samenleving (niet altijd in tegenstrijd) zullen dat bovendien blijven belonen.

Bezuinigen op bureaucratie

Wie zich ergert aan het rondpompen van belastinggeld door de ambtelijke molens, wordt met het BI op zijn wenken bediend. Een basisinkomen zal miljarden besparen aan complexe regels, uitvoering, controle enzovoort. Bijstand (in al zijn vormen), WW, WAO/WIA etc. komen te vervallen. Let wel, wie wegens chronische of langdurige gezondheidsklachten echt geen verdienmogelijkheden heeft, kan gecompenseerd worden in de sfeer van wonen, zorg en vervoer. Er zijn berekeningen die suggereren dat de besparing op het huidige sociale zekerheidsstelsel groter zal zijn dan de kosten van een BI-stelsel (uitgaande van herziening van het belastingstelsel).

Een ander, niet minder belangrijk maar wel nader uit te werken argument is dat een basisinkomen miljarden zal besparen aan complexe regels, uitvoering, controle enzovoort. Bijstand (in al zijn vormen), WW, WAO/WIA etc. komen te vervallen. Let wel, wie wegens chronische of langdurige gezondheidsklachten echt geen verdienmogelijkheden heeft, kan gecompenseerd worden in de sfeer van wonen, zorg en vervoer. Er zijn berekeningen die suggereren dat de besparing op het huidige sociale zekerheidsstelsel groter zal zijn dan de kosten van een BI-stelsel (wel uitgaande van herziening van het belastingstelsel).

Naar een nieuwe economie

Waarom is het BI een logisch antwoord op 21e eeuwse ontwikkelingen? De arbeidsmarkt verandert in hoog tempo. Arbeid leveren zonder duurzaam loonverband wordt meer en meer de norm. Zonder dure verzekeringen zijn de zzp’er en los/tijdelijk verband-werknemer in geval van werkloosheid aan de goden overgeleverd. Een basisinkomen lost dit probleem op, zonder alle belemmerende eisen die uitkeringen stellen aan het bijverdienen. Die maken het vaak juist ondankbaar om weer zo snel mogelijk te re-integreren, vooral wanneer men zich in eerste instantie tevreden moet stellen met onzekere, tijdelijke klussen. Een BI zal, zo is mijn overtuiging, bijdragen aan een dynamischer economie en voorkomt dat mensen onnodig lang zonder werk zitten. 

Ook biedt een BI ruimte voor alternatief werk, zowel onbetaald (vrijwilligerswerk) als ideëel/bezoldigd. Het BI biedt ook interessante mogelijkheden qua kostwinnerschap. Een gegarandeerd minimuminkomen in de vorm van een BI maakt het mensen makkelijker om iets nieuws te beginnen. Al genoemd, maar vanwege de actualiteit (coronacrisis) nogmaals benadrukt: een basisinkomen zonder eisen t.a.v. bezit en eigen kapitaal voorkomt gedwongen woningverkoop en faillissement (met name van kleine ondernemers). Er ligt een uitdaging om alle mogelijke effecten van een BI door te berekenen aan de hand van scenario’s zoals economische crises en andere rampspoed met gevolgen voor de werkgelegenheid. 

Niet geheel onvoorwaardelijk

Voorwaardelijk of onvoorwaardelijk vanaf 18 jaar… dat is vaak de hamvraag. Principiële BI-voorstanders bepleiten doorgaans een onvoorwaardelijk basisinkomen vanaf 18 jaar. Zelf verwacht ik meer van een ‘voorwaardelijk basisinkomen’, waarbij tot een zekere leeftijd de plicht bestaat om een opleiding te volgen, dan wel stage te lopen of vrijwilligerswerk te verrichten– die laatste twee met toekomstperspectief. Het eigenlijke (onvoorwaardelijke) BI zou dan in kunnen gaan op 23- of 25-jarige leeftijd. Ook is denkbaar dat er een soort (oplopend) kinder-BI komt in de plaats van de huidige kinderbijslag, kinderaftrek en studietoelage. Bijkomend voordeel van zo’n stelsel kan zijn dat in geval van scheiding zaken eenvoudiger geregeld kunnen worden. Het ‘kindsinkomen’ is dan immers niet langer gekoppeld aan het inkomen van een van beide ouders.

Onder socialisten klinkt wel de kritiek dat een basisinkomen een te libertijns karakter heeft, omdat het de overheid op afstand plaatst… alsof de overheid er alleen is om mensen van inkomen te voorzien. Ja, het klopt dat het BI mensen een grotere zelfstandigheid biedt, meer verantwoordelijk maakt voor de eigen materiële welstand. En ja, een BI maakt veel overheidsbemoeienis (sociale diensten) overbodig. Het BI biedt ook sociale perspectieven omdat individuen, al dan niet samenwonend, elkaar makkelijker kunnen steunen, zonder daar verantwoording voor te hoeven afleggen bij een sociale dienst of belastingdienst.

Het idee dat een BI niet socialistisch zou zijn, bestrijd ik. Het is juist het meest sociale antwoord op een nieuwe economische wereldrealiteit. In combinatie met een eerlijker belastingstelsel (progressief) moet eerder worden gevreesd dat het te progressief is voor een bij en tijd en wijle wel erg brave PvdA. Toch moet ook het behoudender deel van de PvdA aanspreken dat een basisinkomen de meeste garantie biedt op basiszekerheid voor iedereen, rijk én arm en alles daartussen.