Stop gekakel over hoofddoekjes

Met zo’n titel verwacht de lezer misschien een betoog voor het nu eindelijk eens accepteren van het hoofddoekje als normaal kledingstuk, of zelfs als teken van emancipatie of inclusie. Die lezer moet ik teleurstellen, althans gedeeltelijk, want wat mij betreft moet iedereen vooral dragen wat hij of zij wil – in principe. Ik ben geen Geert Wilders. Dit stuk begint in de zomer van 1979 in Teheran en eindigt in oktober 2022 bij de almaar oplevende discussie over het hoofddoekje, nu naar aanleiding van het ‘progressieve’ voorstel om het hoofddoekje toe te staan als onderdeel van het politieuniform en dat van gemeentelijke overheidshandhavers (boa’s). Laten we daar alsjeblieft eens mee ophouden. Niet zozeer het hoofddoekje maar bovenal dat eeuwige gekakel erover doet de zaak meer kwaad dan goed.

De zomer van 1979 dus. Ik reisde via Iran naar India, zoals meer avontuurlijke jongeren in die tijd. Teheran was een tussenstop. Ik bleef er een aantal dagen in een soort van backpackers-hotel in het centrum, vlakbij de beroemde bazaar. Het was tijdens de revolutie. De sjah van Perzië en zijn gevreesde martelpolitie waren begin dat jaar verdreven. Op straat zorgden revolutionaire mannen voor de openbare orde. De meeste voelden vertrouwd. Ze leken op de Iraanse vriend van mijn afdelingsgenote in de studentenflat, vaak net zo bebaard. Ashgar – als ik mij zijn naam goed herinner –was als linkse, opstandige student gemarteld door de Savak, de met Amerikaanse dollars opgerichte veiligheidsdienst van sjah Mohammed Reza Pahlavi. Ze hadden hem met een mes onder zijn vingernagels gestoken. Ik zie Ashgar nog voor me, terwijl hij met gesmoorde stem zijn folterverhaal in onze gemeenschappelijke keuken vertelde, met de nodige drankjes om de napijn te stillen. Hij was zijn land uiteindelijk ontvlucht.

Het Teheran van 1979 was bevrijd, hoewel de atmosfeer nog gespannen was. Naast de aanhangers van ayatollah Khomeini – nog niet de dictator die hij zou worden, zo mogelijk wreder dan de sjah – waren ook de linkse opstandelingen nog niet uitgespeeld, studenten vaak. Een Iran-kenner wees mij op een jeep met gewapende jongemannen: ‘Kijk, socialistische studenten, de Mojahedin-e-Khalq. Het volksleger, dat ooit met het verzet tegen de sjah is begonnen. Het zal mij benieuwen wat er van hen overblijft.’ Op een brede stoep vlakbij de bazaar kon je voor een dinar of zo met een luchtbuks op een roos schieten, zoals bij ons op de kermis. De Australiër die mij over de Iraanse revolutie vertelde, greep geschrokken naar zijn nek. Hij was geraakt door een diabolo-kogeltje. De zwart bebaarde schutter, met de windbuks nog in zijn knuist, keek triomfantelijk. ‘Ach ja, ze denken dat ik een Amerikaan ben. En Amerikanen zijn hier niet populair, niet bij de Khomeini-aanhangers en niet bij de linkse studenten. Begrijpelijk.’ Toch ervoer ik Teheran ook als een fascinerende, in veel opzichten bijna westerse en tamelijk vrije stad. Opvallend mondain ook, met naast traditioneel geklede eenvoudige Iraniërs ook knappe jonge vrouwen in elegante kleding, zelfs minirok. Hoe gespannen de sfeer ook was, zo kort na de machtsovername, niets wees in mijn naïeve beleving op de aanstaande islamisering van deze samenleving.

Hoofddoekjes kende ik, uit het islamitische deel van toenmalig Joegoslavië, van wat moslimvrouwen in Nederland en van mijn moeder. Zij droeg hem uit gewoonte – iets van vroeger – en omdat ze al bij een beetje wind of kou last had van hoofdpijn, verklaarde ze. Ik schaamde mij vaak voor hoe zij er bij liep. Bij bijzondere gelegenheden droeg ze overigens nooit een hoofddoek. Ook in Turkije had ik met het fenomeen kennisgemaakt. Het leken mij vooral oudere en heel arme vrouwen in bijvoorbeeld het Turkse Erzurum, waar een viezige, in een kaftan gehulde kerel mij zijn veertienjarige dochter ter prostitutie aanbood. Mijn reisgenoot en ik keken elkaar vol afschuw aan. Je eigen dochter… zij droeg wel al een hoofddoek. Verderop in de reis, in Afghanistan, zou ik met meer vormen van vrouwelijke gezichtsbedekking kennismaken: de chador, burqa en nikab. Vooral de zwarte burqa/boerka, waarbij vrouwen hun ogen achter een soort gaas verbergen, kwam mij als ongelooflijk mensonterend voor.

Wat is dat toch met die hoofd- en zelfs gezichtsbedekking voor vrouwen? Een Afghaanse winkelier, die zegt dat hij leraar is geweest, legt mij uit dat het geloof dit voorschrijft. Maar volgens hem niet dwingend, en afhankelijk van de interpretatie. Net als in elke religie bestaat ook de islam, c.q. de moslimwereld uit tal van stromingen met steeds hun eigen geo-culturele invloeden. Dat zie je terug in kledingvoorschriften. Sommige lijken vanzelfsprekend. In de minibus met ontbrekend voorruit, van de Iraans-Afghaanse grens naar Herat, hult de chauffeur zich als een bedoeïen, met zijn lange Palestijnse sjaal over zijn gezicht tegen de zandstorm die ons onderweg te wachten staat. Logisch. En hoofdbedekking kan ik in deze landen met hun eeuwig brandende zon ook goed begrijpen, al zijn er opvallend veel mannen – zeker in de steden – die dat voor zichzelf niet nodig achten. Die mannen hebben daarin een vrije keuze. De zwarte boerka lijkt mij in de Afghaanse hitte trouwens geen pretje, eerder een marteling.

‘Een vogel sluit zichzelf niet op in een kooi’

Freelance journaliste Esre Dede schrijft op OneWorld: ‘Ik ben tegen de chador, niqab en de burqa. Het zijn kledingsstukken die ontworpen zijn door mannen om – denk ik – hun machtspositie te behouden. Het wordt door bepaalde stromingen geaccepteerd als een van de manieren die de vrouw kan kiezen als bedekking. Een soera uit de Koran wordt ter verdediging gebruikt, maar die soera kun je ook anders interpreteren. Dat is een andere discussie. Het is cultureel bepaald en in mijn Islam is er geen plek voor. De kledingvoorschriften voor de man zijn pas later in elkaar gezet. Door wie? Door mannen. Logisch dat de kledingvoorschriften voor de man aanzienlijk soepeler zijn. Een vogel sluit zichzelf niet op in een kooi.’ Aldus Esre Dede, van Turkse afkomst, op OneWorld in een column uit 2015. Even gedateerd als actueel.

Esre raakt naar mijn mening de essentie, net als recenter Parool-columniste Lale Gül in een praatprogramma op WNL. Oké, dat is een nogal rechtse zender, een Telegraaf-loot. Verdacht dus in onze politiek correcte kringen. En ja, ik besef terdege dat rattenvangers als Wilders en Baudet maar al te graag met uitgesproken meningen als die van Lale Gül pronken. Zo van ‘zie je wel, die moslims deugen niet’. Maar dat is volgens mij niet waar het vrouwen met een moslimachtergrond als Lale Gül en Esre Dede om gaat en dat is ook zeker niet wat ik betoog als ik vasthou aan de opvatting dat een hijab alias hoofddoek niet past bij het neutrale politieuniform. Gül is stellig: ‘De hoofddoek is geen neutraal symbool (…) het is een symbool van onderdrukking, zo ervaren heel veel vrouwen dat.’

Het is echter bon ton in progressief-linkse kringen om dat laatste te relativeren. Welnee, wordt dan graag geponeerd, vrouwen dragen de hoofddoek vrijwillig, en soms zelfs als een symbool van hun geëmancipeerde aanwezigheid in de Nederlandse, pluriforme multiculturele samenleving. Ook Lale Gül relativeert: ‘Er zijn ook vrouwen die hem vrijwillig dragen, je moet altijd die disclaimer maken…’ Maar, zo voegt ze daaraan toe: ‘Ik ben ervan overtuigd dat de meerderheid van de vrouwen, als ze geen islamitische opvoeding hadden, dat ze dan niet vrijwillig een hoofddoek zouden dragen.’ De hoofddoek is nu eenmaal een religieuze verplichting,

Over dat laatste is discussie. Het dragen van een hoofddoek of hijab, laat staan een boerka, zou als gebod nergens in de Koran zijn opgenomen. Al-Yaqeen, dat zichzelf omschrijft als ‘een van de meest toonaangevende Daʿwah-instituten van Nederland, met als voornaamste doel het informeren, onderwijzen, begeleiden en adviseren op het gebied van Islam’ (zeg maar onze aloude ‘missie’) denkt daar anders over. De website haalt Koran-interpretaties aan die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten: ‘Allah heeft de hoofddoek tot een symbool van aanbidding, kuisheid en deugd gemaakt.’ Nog een greep: ‘Voor de vrouw is de hoofddoek een belangrijk middel om blijk te geven van haar gehoorzaamheid en loyaliteit aan Allah. Ze laat zien dat wanneer Allah haar iets voorschrijft, zij zich hierbij neerlegt.’ Als het al geen dwingend gebod is om een hoofddoek te dragen, dan op z’n minst een morele plicht, afgeroepen door ‘Allah en Zijn Boodschapper’. Dat beiden man zijn, is in het geloof onomstreden. Het is de man die deze plicht oplegt, in de persoon van God zelf, zijn profeet of diens plaatsvervanger, de man in huis.

Gebod, morele dwang… de hoofddoek is hoe dan ook geen symbool van emancipatie en allesbehalve een vrije keus, de door Lale Gül genoemde uitzonderingen ten spijt. Daarbij durf ik de vraag aan of die ‘vrijwilligheid’ echt is of een uiting van het stockholmsyndroom en op z’n minst van groeps- en familiedwang. De hoofddoek niet zien als religieus symbool is zo mogelijk nog naïever dan ontkennen dat er in de meeste gevallen minimaal sociale dwang achter steekt. De hoofddoek, in al zijn varianten, mag vergeleken worden met het keppeltje, de vrouwelijke hoofdbedekking die in veel religies in het gebedshuis verplicht is, de sikh-tulband enzovoort. Net als die laatste is de hoofddoek ook nog eens een fulltime kledingvoorschrift, waarvan alleen binnen de veilige muren van het patriarchale gezin van afgeweken mag worden.

Symbool van onderdrukking of van emancipatie

Ik moet onwillekeurig aan Fatima Elatik denken, de uitgesproken voormalige PvdA-politica die haar hoofddoek strijdbaar draagt – weliswaar een lichte, modieuze variant die de nek vrij laat, maar toch. Ik ken haar uit mijn Amsterdamse periode en heb altijd een grote sympathie voor deze dappere stadsgenote gehad. Zij stond als vrouw symbool voor zelfstandigheid. Ook ik ben wel eens kameraadschappelijk door haar omhelsd. In haar zie ik geen conservatieve, hondsgehoorzame orthodoxe moslima. Integendeel. De manier waarop Theo van Gogh destijds tegen haar tekeer ging als hoofddoekdraagster, stuitte ook mij tegen de borst, met alle bewondering voor van Van Gogh’s brutaliteit, principiële oprechtheid en provocatiedrift als interviewer en radiomaker. Dat hij in zijn liefde voor de provocatie soms te ver ging, is bekend. We hoeven alleen maar aan zijn smakeloze jodengrap te denken. Fatima Elatik liet zich niet door hem in de hoek zetten. Met haar hoofddoek maakte zij in haar tijd en maatschappelijke context, als een van de eerste moslima in de polderpolitiek, een statement, als rolmodel. Zij mag gelden als de falsificatie van de stelling dat de hoofddoek altijd en overal louter een symbool van onderdrukking is. Om met Lale Gül te spreken, er zijn zeker uitzonderingen, zoals Elatik.

Waarom opnieuw deze discussie, ruim twee decennia na Fatima en de inmiddels door een geloofsidioot vermoorde Theo van Gogh? De aanleiding zijn twee actualiteiten die nogal ongemakkelijk samenvallen: de vrouwenopstand in het Iran van de ayatollah’s en het advies van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme om de hoofddoek toe te laten als onderdeel van het politieuniform. Nieuw is dit advies niet, in enkele gemeenten klonk de oproep al, ook voor gemeentelijke handhavers (boa’s). Het advies vindt vanzelfsprekend gehoor bij identitaristische partijen als Denk en BIJ1, maar helaas ook bij progressieve partijen als mijn eigen PvdA en GroenLinks. Dat mag enige verbazing wekken. In het meest actuele landelijke partijprogramma van de PvdA staat: ‘Iedereen heeft de vrijheid zich te ontworstelen aan (religieuze) groepsdruk.’ Dat is niet bedoeld als loze kreet.

Wat is er mis met een uniform met hoofddoek? In landen als Groot-Brittannië en Canada mag het ook. Tja… en in het islamitische Marokko juist weer niet. Dat soort buitenlandse voorbeelden als argument aanhalen versterkt de zaak zelden. Nu dus ook niet. Ze staan bovendien in wrang contrast met de al weken durende bloedige rellen in Iran, in reactie op de gewelddadige dood van Mahsa Amini, een jonge vrouw die haar hoofddoek volgens de religieuze politie niet correct droeg. Je zult maar gevlucht zijn als vrouw, uit een land als Iran en hier of in Engeland straks geconfronteerd worden met hoofddoek dragende politieagenten, terwijl je rekende op een land dat vrij was van religieuze dwang, met op z’n minst in het dagelijks leven iets van laïcité, van scheiding van kerk en staat, van religie als niets meer dan een persoonlijke keuze, een vrijheid.

Omgekeerd racisme

Het uniform heet niet voor niets zo. Het betekent ‘eenvormig’ en brengt als boodschap dat alle dragers van hetzelfde uniform, behoudens insignes die rangen en specifieke functies aangeven, voor hetzelfde staan. Zij zijn dienaren van het wettelijk gezag, niets minder en niets meer. Zij dienen slechts de wet en in hun optreden dienen zij geen andere heer, dus ook geen god, profeet of eigen culturele mores. Een afwijking van uniform kan niet zonder betekenis zijn. Dat geldt om te beginnen voor insignes die een rang of functie aanduiden, maar zal in de beleving wel degelijk ook voor een afwijkend hoofddeksel kunnen gelden. Speciale brigades binnen de politie, zoals terreurbestrijders, dragen al een ander hoofddeksel dan de gewone ‘platte pet’. Als daar hoofddoekjes – en wie weet, op den duur ook tulbanden, djellaba’s, keppels en Joost mag weten wat bij komt – dan blijft er weinig over van het begrip uniform. Aantasting van het uniform zal het soms toch al kwetsbare vertrouwen in de politie geen goed doen.

Voorstanders zullen hier tegenin brengen dat het juist van inclusiviteit getuigt om hoofddoekjes toe te staan. Dat voelt als een drogreden. Voor een beperkte groep gaat de redenering allicht op, maar denk ook aan al die moslimvrouwen én -mannen die juist huiverig zijn voor toenemende religieuze invloed op de samenleving waar ze hun toevlucht hebben gezocht. Ook zij volgen het nieuws en krijgen mee dat vrijheden óók in het westen niet onomkeerbaar en vanzelfsprekend zijn. Zie de VS, waar abortus sinds kort in een aantal staten weer verboden is en het verbannen van literaire werken als The Catcher in the Rye alweer normaal wordt gevonden. En dan zijn er nog groepen die alle reden hebben om achterdochtig te zijn bij iedere confrontatie met norm opleggende religie, zoals homoseksuelen en andere leden van de LHBTI-gemeenschap. Het is meten met twee maten.

Ten slotte, als inclusiviteit afhangt van het mogen dragen van een hoofddoek op een uniform gooien we het bijltje er wel erg makkelijk bij neer. Zo voel ik dat althans, met tien jaar ervaring als onderzoeker/woordvoerder bij een landelijke antidiscriminatie organisatie. Dat was in de jaren ’90, toen een dergelijke discussie nog ondenkbaar was. Hoe pak je diepgeworteld racisme en discriminerende maatregelen en gedrag aan? Dat is de enige vraag die ertoe doet en waar we ons niet vanaf kunnen maken door een religieus symbool onderdeel te laten zijn van ons neutrale politieuniform. Een uitzonderingsregel bovendien, die op zich al een discriminerend karakter heeft. Alsof een moslima niet de keuze kan maken voor het neutrale gezag dienende politieuniform, met de consequenties die daarbij horen: de politiepet i.p.v. een hoofddoek. Voor alle duidelijkheid, die laatste mag gewoon weer op als de dienst erop zit.