Bechstein
Mijn dag begint doorgaans met de krant. Liefst niet één maar twee, soms drie. Ik ben geen nieuwsjunk, zoals sommige intellectuelen zich graag noemen, maar wil op de hoogte blijven en lees graag. Een echte boekenwurm ben ik nochtans evenmin, al heb ik letteren gestudeerd en val zelden in slaap zonder minstens tien pagina’s bellettrie te hebben ingenomen. Mooie zinnen werken bij mij als valium. Daarom lees ik ook niet zomaar een krant maar liefst alleen kwaliteitskranten – daarvan zijn er anno 2026 nog een paar. Ik lees ze dus vooral vanwege de doorgaans goed geschreven artikelen, achtergrondverhalen, commentaren en opiniestukken, los van de journalistieke degelijkheid. Voor het nieuws – ik was per slot van rekening zelf journalist en bedrijf wat lokale politiek – begin ik de ochtend steevast met de journaal-app van onze publieke omroep, om na enkele minuten vast te stellen dat het NOS Journaal met de dag oppervlakkiger wordt, vanwege de idiote of verkeerd begrepen opdracht om ook het grootste ongeletterde uilskuiken te geven wat het uilskuiken wenst: ongelukken, rampen, man-bijt-hond berichten, overleden beroemdheden en de wederwaardigheden van BN’ers waar ik nog nooit van gehoord heb. Sporters, popidolen en volkszangers vermoedelijk. Niet dat ik nu zo’n klassieke opvoeding heb genoten, maar dankzij mijn middelbare school in het verder volstrekt anti-culturele Beverwijk heb ik toch een zodanig muzikale smaak ontwikkeld dat Frank Zappa mij meer zegt dan pakweg Frank Bouwer of hoe ze ook mogen heten. Ook aan klassieke muziek heb ik geproefd, met een ontwikkelde voorkeur voor de laatste twee eeuwen. Erik Satie was een van mijn eerste klassieke ontdekkingen, na Beethovens derde pianoconcert en Chopins nocturnes. De vleugel prijkt op mijn bescheiden lijst van favoriete instrumenten, maar een kenner ben ik zeker niet. Een Steinway herken ik niet aan zijn klank maar aan het imposante naamlogo boven het klavier. Een logo zoals de gevleugelde Spirit of Ecstacy op een Rolls Royce. Dat andere beroemde pianomerk Bechstein kende ik nog niet toen ik als ongeveer 25-jarige Berlijn bezocht. De naam stond in grote letters op de muur aan een binnenplaats van een groot krakerscomplex in Kreuzberg. Maar die herinnering is pas vandaag opgefrist. De vooroorlogse muurreclames, niet zelden pokdalig van kogelkraters, maakten sowieso indruk. We logeerden in een voormalig fabriekscomplex of aanpalend, in een typisch Berlijns appartement zonder gang maar met efficiënt geschakelde verblijfsruimtes: hal met toilet, keuken, woonkamer, slaapkamer. Het waren de jaren ‘80, ergens tussen mijn eerste tamelijk eenzame jaren als student in de grote stad en zo rond mijn afstuderen in 1984. De latere ex en ik waren al enige tijd samen toen we last minute meereden met de Fanfare van de Eerste Liefdesnacht, op uitnodiging van huisgenoot Nico die een oude touringcar bezat, een echte Kässbohrer Setra. De jaren tachtig liggen ver in mijn geheugen, maar sommige plaatsen en momenten vergeet je simpelweg nooit: de snelweg-corridor met zijn lange file om dwars door de DDR West-Berlijn te bereiken, de Muur, Friedrichstraße, Checkpoint Charlie, de Oost-Duitse grenscontrole aan de uitgang van de U6-metro, das Rotes Rathaus met zijn voor ons spotgoedkope kelderrestaurant, de Fernsehturm en de communistische boekwinkel in het Paleis van de Republiek… een blik in de onverwacht decadente, hippe uitgaansstraat, bier in een achterdochtig Fassbinder-achtig arbeiderskroegje vlakbij de Spree, stinkende Trabants, de geur van kolenkachels, net iets te ver Prenzlauerberg ingelopen en de vriendelijke trambestuurder die ons gratis liet meerijden omdat we geen Ostmarken meer hadden – want kapitalistische D-Marken nam hij niet aan – en toch echt op tijd aan de andere kant van de Muur moesten zijn. Terug in krakersbolwerk Kreuzberg smaakte mij het eindeloos traag getapte Berlijnse pilsener, het Sieben-Minuten-Bier, onwaarschijnlijk goed. Ook zo’n onvergetelijk moment. Het café lag aan een park dat in mijn herinnering overging in een verlaten rangeerterrein, met spelende kinderen, Turkse families, punkers en junks. De doodlopende, overwoekerde spoorlijnen maakten een lugubere indruk. De keren dat ik Berlijn nadien bezocht, na het vallen van de Muur, zocht ik tevergeefs de plekken van toen. Veel was alweer in oude, vooroorlogse luister hersteld: kogelkraters dichtgesmeerd, ruïnes afgebroken, braakliggende terrein bebouwd, zelfs de Reichstag weer in gebruik en ook het voormalige niemandsland achter de Muur was bijna onherkenbaar in de herenigde stad opgenomen. Zolang was ik er die eerste keer in de jaren ’80 ook niet geweest, hooguit een dag of drie. Het Kaufhaus des Westens (KaDeWe) met zijn onwaarschijnlijk verse haring, de Gedächtniskirche, de gehavende Brandenburger Tor in het niemandsland tussen Oost en West, het voormalig vliegveld en nazi-pronkstuk Tempelhof… we zagen ze vooral vanuit de bus. Maar hoe vluchtig ook, Berlijn maakte bijna net zo’n diepe indruk als mijn lievelingsstad Parijs. Dus zocht ik, met de weemoed die mij regelmatig ook bezoekt – hoewel het meer een behoefte is om vast te houden en alsnog te verwerken – jarenlang bij vlagen naar aanknopingspunten. Waar logeerden we ook alweer, waar was dat café met die super trage tap? Graag had ik daar nog een Sieben-Minuten-Bier gedronken. Eén keer bezocht ik in de 21e eeuw met mijn lief het Görlitzer Park. Dit moest het zijn geweest, maar ik herkende er weinig tot niets. Waar was het café en waar die binnenplaats, die muurbeschildering met de naam van een pianofabriek?
Tot vandaag. NRC beschrijft hoe ook Berlijn onvermijdelijk gentrificeert, saaier wordt en onbetaalbaar voor wie geen dikke portemonnee heeft. Als oud-Amsterdammer een vertrouwd beeld. In het artikel over de Duitse deelstaatverkiezingen – de nazi’s zijn weer uit hun graven herrezen – wordt het Görlitzer Park genoemd. Ik herken de sfeer op de persfoto ogenblikkelijk, in tegenstelling – vreemd genoeg – tot ons laatste bezoek aan het park ook alweer zo’n vijftien jaar geleden. Het artikel beschrijft de crack-epidemie. Verslaafden waren er in de jaren ’80 ook al volop in het park en op de brede stoep van de ernaast gelegen Wienerstraße. Daar ergens trad ook de Fanfare van de Eerste Liefdesnacht op, in mijn – misschien valse – herinnering bij het café met het voortreffelijke trage Berlijnse pilsner. Op Kaarten zie ik dat er nog steeds een café zit op dat stuk Wienerstraße. Het heet Wild at Heart en blijkt een punk- en hardrock-club. Het café in mijn herinnering is eerder een gemoedelijk rokerig alternatief bruin café. Het NRC-artikel opent meer deuren in mijn geheugen. ‘Aan de Paul-Lincke-Ufer aan het Landwehrkanaal, die parallel loopt aan de Reichenberger Strasse, houden start-ups kantoor, in de koffiebars wordt overwegend Engels gesproken. Mede door start-ups is de stad niet meer arm, en wordt er een stuk meer geld verdiend dan nog in de jaren nul, toen de toenmalige burgemeester de stad „arm, maar sexy” noemde’, schrijft correspondente Nynke van Verschuer. Arm maar sexy was Berlijn zeker, met Kreuzberg als onbetwist magisch centrum. De naam Reichenberger Straße komt mij plotseling zeer bekend voor. Dit moet hem zijn geweest. Hier logeerden we, op een zelf meegebracht kampeermatras op de vloer van een waarschijnlijk gekraakt appartement. Met Kaarten en Google Earth struin ik door de buurt en hou stil bij een groot complex met binnenplaats en een doorgang waar een Kässbohrer Setra best in zou passen. Het adres is Reichenberger Straße 124. Het rood bakstenen complex is fraai gerestaureerd en heet Bechstein-Höfe. Het kwartje valt. Dat is de naam die zeker nog in de jaren ’80 op de binnengevel moet hebben gestaan: Bechstein. De makelaar ronkt: ‘Eine Reminiszenz an die Vergangenheit. Wo einst die weltberühmte Firma Bechstein ihre Flügel und Klaviere produzierte, sitzen heute boomende Branchen.’ De pianofabriek – aanvankelijk pianoforte – was in bedrijf tussen 1886 en 1988, meldt de verhuursite. Dat laatste jaartal lijkt enigszins in strijd met mijn herinnering, maar misschien was de Bechstein-fabriek tijdens mijn eerste bezoek aan Berlijn al gekrompen of hoorde het pand waar wij logeerden niet tot het complex maar keek erop uit. Overigens stond ook de ondernemersfamilie Bechstein in zeer kwalijke nazi-reuk, zoals veel Duitse ondernemers die na de Shoah hun geprivilegieerde leventjes weer mochten oppakken alsof er niets was gebeurd: zes miljoen vermoorde joden en zigeuners als bedrijfsrisico. Vrouw des huizes Helena Bechstein was fanatiek antisemiet en een van Hitlers vroegste sponsoren. Over Reminiszenz an die Vergangenheit gesproken, inmiddels verdwijnt de Tweede Wereldoorlog almaar dieper in het zwarte gat van ons collectieve geheugen. Steeds minder Europeanen lezen een kwaliteitskrant om hun geheugen op te frissen. Ik zie Franz Biberkopf voor me staan, als stationsventer van de Völkische Beobachter. Niet omdat hij nazi is, maar uit armoede en omdat hij simpel is. De rood-zwarte hakenkruisband om zijn arm is alleen reclame voor de krant van wakker Duitsland, voor een paar Groschen meer omzet. Zie de huiveringwekkende opmars van de AfD, die anders dan de naam suggereert niet ‘alternatief’ is maar ordinair kleinburgerlijk rechts en fascistoïde. Kreuzberg was extreem alternatief, al wisten we natuurlijk dondersgoed dat die krakersvrijheid van ‘arm maar sexy’ tijdelijk zou zijn en zijn minder sexy keerzijde had. Op Wikipedia lees ik dat Bechsteins eerste concertvleugel voor de 19e eeuwse pianovirtuoos en Wagner-dirigent Hans Guido von Bülow was. Ook Wagner was een hartstochtelijke antisemiet, al schijnt dat woord in de 19e eeuw nog niet te hebben bestaan. Ik denk in donkere gedachten terug aan mijn uitzicht op de naam C. Bechstein in de hippe krakerswijk Kreuzberg.