Papier heeft de toekomst

Afgelopen jaarwisseling vierde ik mijn eenjarig jubileum als uitkeringsgerechtigde. Waren zaken anders gelopen dan had ik op 1 januari 2022 mijn vijftienjarig jubileum gevierd als directeur/hoofdredacteur van MUG Magazine, het voormalige Maandblad voor Uitkeringsgerechtigden, in loondienst van stichting BBU. Dat was in alle bescheidenheid vast een aardige dag geworden, één jaar en tien maanden voor mijn pensioen. Het liep anders, nog los van corona. Op de valreep mag ik mijzelf tot MUG’s doelgroep rekenen, als UWV-cliënt. Nog voor mijn afscheid definitief werd, schreef ik deze notitie. Oorspronkelijk geplaatst in de zomer van 2020 (op basis van een eerder geschreven bestuursnotitie) opnieuw online, aangepast en uitgebreid met een terugblik (1) op de achter mij liggende vijftien jaar plus een meer algemene beschouwing (in lijn met de oorspronkelijke notitie) over de toekomst van MUG en van gratis bladen in het algemeen. Daar kun je met wat goede wil lokale nieuwsbladen en de professionelere buurtkranten toe rekenen. Dit is een pleidooi om ze in stand te houden en serieus te nemen. Overheidssteun is daarbij onontbeerlijk, met garanties voor de journalistieke onafhankelijkheid.

MUG Magazine is uniek en dat al ruim dertig jaar. Geen ander blad bevat zoveel informatie van, voor en door minima. Ook ten tijde van zogenaamde ontlezing wist MUG juist meer lezers aan zich te binden, zo wees lezersonderzoek in 2014 door bureau Markteffect uit. Volgens welingelichte kringen wint MUG nog steeds aan populariteit, ongetwijfeld ook vanwege corona. Het blad ligt her en der voor het oppakken. Tijdens mijn hoofdredacteurschap mocht ik menig reactie ontvangen waarin MUG-lezers aangaven dat zij zich dankzij het blad minder eenzaam en in de steek gelaten voelden, ondanks hun soms uitzichtloze situatie in de bijstand of de schulden, al dan niet als slachtoffer van de toeslagenaffaire. De formule is nog grotendeels dezelfde als toen ik in het najaar van 2019 door ziekte genoodzaakt voor de laatste keer – naar maanden later zou blijken – de deur van het redactielokaal achter mij dicht trok.

Uitkeringsgerechtigde, zelfstandige in de problemen, jongere met schulden of wie het financieel helemaal niet slecht heeft maar zich gewoon bij zijn omgeving betrokken voelt… menigeen vindt in MUG wel een verhaal dat verbindt of ogen opent. Zeker voor wie in Amsterdam woont, al kent MUG ook lezers buiten de stad die het blad ophalen of laten bezorgen. Uniek is ook dat het maandblad nog steeds gratis verkrijgbaar is. Ook de website biedt uitsluitend gratis content. Geen enkel artikel zit achter een betaalloket. Daarbij koesterde (2) MUG Magazine al die jaren zijn redactionele onafhankelijkheid en hield zijn journalistieke standaard hoog – met minimale middelen. Still standing, maar hoe lang nog? Gratis nieuws bestaat immers niet, zo luidt een oud en wijs uitgeversgezegde.

MUG stond ooit voor Maandblad voor UitkeringsGerechtigden. De eerste M.U.G. verscheen midden jaren tachtig in Den Haag. De initiatiefnemers, waaronder oud-journalisten van dagblad Het Vaderland (1869-1982), meenden dat bijstandsgerechtigden een stem in de media verdienden. Zelf werkloos ervoeren zij dat er vooral ‘over’ uitkeringsgerechtigden werd geschreven, en dan meestal negatief. Zelden werd er in de media vanuit de ervaring van WW-ontvangers, bijstanders of arbeidsgehandicapten bericht. Het concept sloeg aan en de Haagse M.U.G. kreeg al snel een Rotterdams broertje. In 1988 volgde een Amsterdamse editie. Hier waren de initiatiefnemers sterk met de kraakbeweging verbonden, de doe-het-zelfcultuur van de jaren ‘80. Een opvallende naam is die van ex-ondernemer, veroordeeld bankovervaller en kraker Jan Bosman. Hij geldt als (een van de) geestelijk vader(s) van de Amsterdamse MUG. Het eerste bestuur in 1988 stond onder voorzitterschap van prof. Theo Schuyt. De Haagse en Rotterdamse MUG’s bleken geen lang leven beschoren maar Mokum hield stand, tot op de dag van vandaag.

Gratis… of toch niet helemaal? MUG werd van meet af aan, sedert de oprichting in 1988 door de gemeente Amsterdam gesubsidieerd. Aan die subsidie kwam in 2006 weliswaar een einde maar ook daarna hield de gemeente, om precies te zijn de gemeentelijke sociale dienst het blad financieel overeind. Daarnaast slaagde MUG enige tijd in het vergaren van advertenties. In latere jaren, onder mijn leiding – met het stichtingsbestuur als werkgever en controlerend orgaan – kwamen daar wat extra revenuen bij uit bijzondere projecten en uitgaven zoals schuldhulpgidsen (in opdracht van de Stichting van Schulden naar Kansen) en het Woonmagazine (Huurdersvereniging Amsterdam). Zonder die bescheiden extra inkomsten had de gemeente substantieel meer moeten bijspringen. Of niet… dan was het blad allang ter ziele geweest. Hoe is het zover gekomen?

Een sociaal project met roots in de kraakbeweging

In de eerste helft van zijn bestaan was de Amsterdamse MUG vooral een actiekrant: dwars, een tikje anarchistisch en journalistiek misschien niet altijd comme il faut. Dat had zijn charmes. Volgens sommigen was MUG de ietwat brave opvolger van het sterk activistische krakersblad Bluf!. De alternatieve doe-het-zelfcultuur – kenmerkend voor de krakerscultuur – die ook bij MUG heerste, garandeerde in elk geval dat de stem van de uitkeringsgerechtigde en de bewust baanloze ook werkelijk in het blad doorklonk. MUG dreef overigens alleen de eerste jaren op de inzet van vrijwilligers. Dankzij regelingen als de WIW en ID (Melkertbanen) kwamen daar midden jaren ’90 al snel de zogeheten banenpoolers bij, met talent en ambitie om bij MUG beroepservaring op te doen als journalist, vormgever/opmaker of fotograaf – er was zelfs enige tijd een aan MUG gelieerd radioprogramma op de Amsterdamse kabel: Loon op Zand. Aan creatief talent geen gebrek in de hoofdstad.

De eerste voorpagina, oktober 1988. De cynische tekst op de gevel luidt: ‘En… lekker gewerkt?’ Dit kraak-/slooppand stond aan de Valkenburgerstraat, zichtbaar voor automobilisten die na gedane arbeid via de IJ-tunnel de stad verlieten

Met zijn bestand van gemiddeld tussen de tien en vijftien banenpoolers (gedetacheerd vanuit Maatwerk, later Pantar), plus nog wat vrijwilligers/participatiebanen en stagiaires, fungeerde MUG tot 2014 nadrukkelijk óók als leer/werk- en reïntegratiebedrijf. Een overzicht in de jubileumeditie van oktober 2008 vermeldt minstens tweehonderd personen die in de loop der tijd aan MUG hadden meegewerkt, als vrijwilliger of tegen beloning. Ook mensen met een arbeidsbeperking – vaak in sociaal-psychologisch opzicht – waren welkom. Zij heetten eufemistisch ‘mensen met een zekere afstand tot de arbeidsmarkt’, een afstand die soms tijdelijk was en soms blijvend.

Sedert mijn aanstelling in 2007 tot de afbraak van het gesubsidieerd werk was ik niet alleen hoofdredacteur en zakelijk leider maar vooral ook coach en mentor. Met een uitstroom naar betaald werk – in loondienst of als zelfstandige, meest binnen de media – van minstens 25 procent was stichting BBU in de periode 2007-2014 als sociaal project zijn subsidie meer dan waard. Een enkele WIW’er bleef en kwam op de BBU-loonlijst nadat PvdA-staatssecretaris Jetta Klijnsma en toenmalig GroenLinks-wethouder Andrée van Es definitief de stekker uit de ‘basisbaan’ trokken.

Mijn opdracht als hoofdredacteur omvatte ook het versterken van de redactionele formule, van vooral opini¨erend naar een meer journalistieke aanpak. Meer nieuws dus en vooral scherper nieuws. Ook verbreding hoorde erbij: cultuur, sport, amusement. MUG had traditioneel aandacht voor cultuur. Na 2007 kwam daar onder meer een boekenrubriek bij – een tijd lang verzorgd door beat-dichter Peter van Lieshout, opgevolgd door schrijversinterviews (‘020 Schrijft’) van de hand van neerlandicus Jos Verdonk. Schrijfster Nicolien Mizee verzorgde enige tijd een column. En ook Peter van Straaten en Joep Bertrams verbonden zich aan MUG, eerstgenoemde tot aan zijn ziekbed en overlijden in 2016. André Stuyvesant (ex-Amsterdams Stadsblad) verzorgde enige een bijzondere sportrubriek. Om maar wat voorbeelden te noemen.

Uitkeringsgerechtigden, arbeidsongeschikten, werkzoekenden en ook bewust baanlozen en werkenden met een laag inkomen vonden altijd wel iets van hun gading in MUG Magazine. Het blad diende bovenal betrouwbaar te zijn als informatiebaken voor de doelgroep, met name de uitkeringsgerechtigden. Altijd was er volop aandacht voor schuldhulp, participatie, vrijwilligerswerk, armoedevoorzieningen en voor – hoe ouderwets dat sommigen tegenwoordig ook in de oren klinkt – ‘verheffing’ oftewel cultuur.

25 Jaar MUG, maar inmiddels wel in een nieuw jasje. Niet meer Maandblad voor Uitkeringsgerechtiden maar MUG Magazine. Oplage 32.000, met volgens Bureau Markteffect in 2013 zo’n 40.000 lezers iedere maand

Een stichting die in naam iets heel anders deed

Stichting BBU trad op als uitgever en bewaker van MUG’s identiteit, doelstellingen en journalistieke kwaliteit. De afkorting staat sedert 1988 voor stichting ter Bevordering van de Belangen van Uitkeringsgerechtigden. In feite heeft die naam de lading nooit gedekt, ook niet in de beginjaren. Om te beginnen richtte MUG zich niet alleen op uitkeringsgerechtigden maar op alle minima, van bijstandsgerechtigden en ‘bewust baanlozen’ tot arbeidsongeschikten en van zelfstandigen met weinig of tijdelijk geen inkomen tot gepensioneerden.

BBU was nooit een belangenbehartiger in de letterlijke zin van het woord. In Amsterdam werd die taak ten behoeve van uitkeringsgerechtigden waargenomen door cliëntenraden, de linkervleugel van de gemeenteraad en niet in de laatste plaats door de Bijstandsbond onder aanvoering van Piet van der Lende. MUG was hooguit spreekbuis voor deze belangenbehartigers. Zo kreeg Bijstandsbond-medewerker Jacques Peeters een vaste column in het blad. Evenzo kreeg de Amsterdamse Participatieraad in latere jaren een eigen rubriek, steevast geschreven door voormalig MUG-redacteur Martin Brandwagt.

Als bezwaar tegen de naam BBU kan worden aangevoerd dat de stichting geen belangenbehartiger is en in feite ook nooit is geweest. MUG is géén cliëntenraad/participatieraad, vakbond voor werklozen of ANWB. Stichting BBU heeft maar één doel en dat is het uitgeven van MUG Magazine als journalistiek product met een deels emancipatoire doelstelling. Meerdere malen heb ik het bestuur voorgesteld om naam en statuten aan de werkelijkheid aan te passen. Maar we – ik spreek hier ook voor mijzelf – hadden andere prioriteiten. De belangrijkste: het blad met minimale middelen in de lucht houden, niet in de laatste plaats ten behoeve van de ‘uitkeringsgerechtigden’ in de naam van de stichting.

Ondertussen eigende het BBU-bestuur zich ook geen andere rol toe dan die van bladenuitgever, met ondergetekende als uitvoerend directeur/hoofdredacteur, onder toezicht van het stichtingsbestuur. Zeker na een bestuurscrisis in 2005 beperkte het bestuur zich tot zijn controlerende taak, trad op als werkgever, onderhandelde met de gemeente, dacht mee over de bedrijfsvoering, bewaakte de koers en nam de eindbesluiten over alle grote uitgaven. Kortom, het begreep zijn rol als ‘uitgeversbestuur’, op enige afstand van de werkvloer, en respecteerde het redactiestatuut als waarborg voor MUG’s journalistieke onafhankelijkheid onder aanvoering van een directeur/hoofdredacteur die bij zijn bestuur verantwoording aflegt.

In mijn overtuiging is dit een gezonde verhouding. Een uitgever, ideëel of commercieel, respecteert de redactionele onafhankelijkheid van de redactie. Dit uiteraard binnen de grenzen van een doelstelling, doelgroep, identiteit, special interest enzovoort. De uitgever of uitgeefstichting bewaakt, als eigenaar van de titel, het karakter van de uitgave en creëert de randvoorwaarden. Bij dat laatste hoort evident het richting geven en controleren van de bedrijfsvoering, inclusief het personeelsbeleid, fondsenwerving, acquisitie enzovoort. Zo gaat het traditioneel bij de meeste kranten- en tijdschriftorganisaties.

De dubbelfunctie hoofdredacteur/directeur wordt in de journalistiek nogal eens als onwenselijk bestempeld maar is in een kleine mediaorganisatie als BBU onvermijdelijk. Overigens kennen ook grote titels (NRC en De Telegraaf) de gecombineerde titel, en komt het voor dat de directeur/hoofdredacteur zitting heeft in het bestuur. Dat laatste was bij BBU nadrukkelijk niet het geval. Daarbij was ik voornameljk hoofdredacteur, met tegen wil en dank ook wat onvermijdelijke directietaken op mijn bord. Commerciële motieven waren nooit leidend.

Met dank aan een toekomstige Rotterdamse burgemeester

In zijn geschiedenis van ruim drie decennia kent MUG nogal wat keerpunten. In de meer dan dertien jaar dat ik MUG mocht leiden heb ik op aantal ingrijpende veranderingen mijn stempel mogen zetten, samen met het BBU-bestuur onder voorzitterschap van Dr. H.J.E. (Hansje) Kalt en het MUG-team. Voor de eerste grote verandering tekende ik overigens zelf als destijds bestuurder. In 2006 werd ik namelijk op verzoek van toenmalig directeur/hoofdredacteur Bert Vink en redactievertegenwoordiger Bart van Manen interim-voorzitter van BBU, uitgever van toen nog M.U.G. (Maandblad voor UitkeringsGerechtigden). Aanleiding was een conflict tussen een ‘zichzelf overschattend’ bestuur – met name de voorzitter (een uit de culturele sector afkomstig PvdA-Kamerlid) – en het MUG-team. De MUG-redactie vormde destijds een collegiaal team dat voor zijn positie opkwam, al bestond het uit gedetacheerde WIW’ers.

Naast deze bestuurscrisis speelde een minstens even serieuze dreiging: de Amsterdamse gemeenteraad had besloten om de subsidie aan MUG te staken, gehoor gevend aan een motie van toenmalig PvdA-gemeenteraadslid Thijs Reuten. In mijn herinnering was het Reuten niet zo zeer te doen om het einde van MUG maar om de wijze van financiering van het blad en enkele andere sociale projecten. De gemeente bleek in elk geval (nog) niet van MUG af te willen. Als interim-bestuurder oftewel crisismanager mocht ik met wethouder sociale zaken Ahmed Aboutaleb (alweer PvdA) en de directie van de sociale dienst een regeling treffen ter vervanging van de subsidie. Ik mag graag denken dat Aboutaleb’s journalistieke achtergrond een rol heeft gespeeld bij zijn besluit om MUG in leven te houden, naast een positief advies van de sociale dienst.

Overigens stonden in die gesprekken niet alleen de financiering centraal maar ook wat noodzakelijk geachte hervormingen binnen MUG, samen te vatten onder het kopje ‘professionalisering’. In praktische zin behelsde de nieuwe regeling een inkooprelatie, waarbij de gemeente recht kreeg op onder meer advertentieruimte (informatiepagina’s van de sociale dienst). Ook zouden sociale dienst-brochures met MUG mogen meeliften, wat overigens maar een enkele keer is gebeurd. Positief was ook dat de zogeheten inleenvergoeding voor de WIW’ers die bij MUG waren gedetacheerd werd kwijtgescholden. Cruciaal: MUG behield zijn onafhankelijkheid, zwart-op-wit vastgelegd. Even cruciaal: verlenging van het contract was geenszins vanzelfsprekend. MUG moest die verdienen.

Formeel was er geen sprake van subsidie, buiten loonsubsidies die BBU ontving voor onder andere een ID’er. De gemeenteraad bleef op deze manier buitenspel. Aboutaleb en de sociale dienst zagen de meerwaarde van een zelfstandig opererend en kritisch blad mét gemeentelijke informatie voor minima: ‘Juist door kritisch en onafhankelijk te zijn bereikt onze boodschap óók mensen die wij anders niet bereiken.’ Zonder die gegarandeerde redactionele onafhankelijkheid – ook ten opzichte van het eigen bestuur – zou MUG zijn geloofwaardigheid verliezen en was als gemeentelijke spreekbuis ten dode opgeschreven geweest. 

Hoe mooi de constructie ook was – en voor mij als onervaren interim-bestuurder een mooi succes – het bedrag was – in lijn met de bijstandsuitkering zelf – te veel om van dood te gaan en te weinig om van te leven. Daar stond dan wel de nodige vrijheid tegenover, aangeduid met de toen al zeer in zwang zijnde begrippen ‘uitdaging’ en ‘kans’. MUG mocht adverteerders en sponsors werven en opdrachten van derden aannemen. De eerlijkheid gebiedt dat ik daar aanvankelijk ook zelf in geloofde. Ik meende in MUG genoeg potentie te zien om investeerders aan te spreken. Zoekend naar manieren sprak ik menig coryfee zoals Alexander Ribbink, Annemarie van Gaal, Derk Sauer en anderen. Veel leverden die ‘goede gesprekken’ niet op. Misschien was MUG toch iets te links, te triviaal in de ogen van deze Grote Weldoeners… al was het al mooi dat ze wat van hun kostbare tijd aan MUG wilden opofferen.

Aan creatieve ideeën, zoals de Budget Fair als ludieke tegenhanger van de Miljonair Fair, overigens geen gebrek. Voor dat laatste idee kregen we zelfs subsidie. Het project strandde jammerlijk (tot mijn schaamte), maar leidde wel tot budgetmarkten op stadsdeelniveau. De commerciële werkelijkheid bleek weerbarstiger dan onze droom – van bestuur en hoofdredactie – van een zichzelf grotendeels bedruipend magazine. MUG bleef afhankelijk van gemeentelijke financiering.

Zich realiserend dat het initiële inkoopbedrag van €150.000,- per jaar aan de krappe kant was, beloofde de directie van de sociale dienst in 2006/2007 (bij de overgang van subsidie naar inkooprelatie) MUG te zullen huisvesten en voor faciliteiten als computers te zorgen. Dat lukte uiteindelijk niet, waarop wel ‘incidenteel’ extra ‘subsidie’ werd toegezegd: nog steeds te weinig om een gezonde bedrijfsvoering mogelijk te maken maar na een spaarzaam eerste jaar (antikraak) wel net genoeg om zelf huur te betalen, computers aan te schaffen en bescheiden freelance vergoedingen te kunnen betalen voor met name opmaak en fotografie.

Redactievergadering in de Tilanusstraat in 2008, met ook enkele freelancers/vrijwilligers en (staand) distributeur Fred van der Zee en vrijwilligster van het eerste uur Tony Strijbosch

Wel verlangde de gemeente, zoals gezegd, een professionaliseringsslag. Daar waren we in feite allang mee begonnen. Hoofdredacteur Bert Vink en ondergetekende hadden al in 2006 gesprekken met medewerkers gevoerd, ook als eerste inventarisatie van ideeën voor een gezondere toekomst. Een van die gesprekken is mij altijd bijgebleven. Op mijn vraag aan redacteur T. hoe hij zijn tijd besteedde, na de constatering dat hij zelden op de redactievloer aanwezig was en zegge en schrijven één artikel per editie afleverde, antwoordde hij: “Vergis je niet, bij zo’n interview komt een hoop kijken. Want dat is mijn specialiteit.” Hij zette zijn meest ernstige blik op. “Ik interview graag mensen. Dat sluit ook het beste aan bij mijn achtergrond als antropoloog. Hoe ik te werk ga? Nou, eerst bedenk ik wie ik ga interviewen, en waarover. Dat kost soms heel wat tijd, heel wat overpeinzingen. Dan fiets of wandel ik door het Vondelpark, om inspiratie op te doen, na te denken. Dat kan wat dagen kosten. En dan natuurlijk afspraken maken, het interview afnemen en uitwerken. Ook dat kost veel tijd. Dus ja, meer dan één interview per maand zit er echt niet in.”

Nadat de financiering rond was en er met de redactie ‘een soort van’ consensus was bereikt over de noodzaak voor verandering van haar manier van werken, kwam Bert Vink eind 2006 met voor mij totaal onverwacht nieuws. Hij kondigde zijn vertrek als hoofdredacteur aan, klaar om een nieuwe stap in zijn carrière te zetten. Helemaal tot mijn verbazing vroeg hij mij of ik hem wilde opvolgen. Die uitdaging nam ik aan onder strikte voorwaarde dat de redactie mij als haar hoofdredacteur zou accepteren, als primus inter pares, zoals in ons vak gebruikelijk. Op één stemonthouding na zag de redactie mij unaniem als de juiste persoon om in Vink’s voetsporen te treden. Zo trad ik op 1 januari 2007 aan als directeur/hoofdredacteur van M.U.G., als eerste niet-gedetacheerde/gesubsidieerde medewerker in vaste dienst van stichting BBU. En zo nam ik als nieuwe hoofdredacteur, in samenspraak met de redactie het voortouw in het bedenken van de noodzakelijke verbeteringen.

Van actieblad naar serieus nieuws- en opinietijdschrift

De gewenste professionaliseringsslag, volgde snel. Met medewerking van, in voortdurend overleg met en dankzij de creatieve inzet van de redactie, fotografen en opmaak werd M.U.G. volledig gerestyled tot MUG Magazine, compleet met een nieuw logo (de huidige gestileerde rode olifant van ontwerpster Jelske Boonstra; later tot het huidig logo verwerkt door vormgever Rob van der Doe), een ander formaat en beter papier. Er kwam onder meer een strakkere indeling in rubrieken, met meer actualiteiten en meer ruimte voor cultuur. Het format zoals dat geleidelijk aan vorm kreeg, met de bekroning van letterlijk een nieuw formaat bij het 25-jarig jubileum in 2013, houdt stand tot op de dag van vandaag.

Ook vermaak – met vaak een serieus kantje – kreeg een vaste plek, zoals de alternatieve moderubriek Klerenzooi, een maandelijkse puzzel en Gratis in Amsterdam. Columnisten en cartoonisten kregen ruim baan, waaronder eerder genoemde bekende namen als Peter van Straaten, Joep Bertrams en Pejo (Peter de Vries), Nicolien Mizee en Pieter Hilhorst. Maar vooral ook columnisten en opiniemakers uit de doelgroep kregen ruimte, zoals hoofdpersoon Catelijne Bosman uit de documentaire De rekening van Catelijne (Ester Gould en Sarah Sylbing 2012), de ras-Amsterdamse schrijfster/artiest Sjo Velland en de ook al eerder genoemde Jacques Peeters. Artikelen en beschouwingen mochten strijdvaardig zijn, soms provocatief en altijd van een zeker niveau, maar nooit elitair en zeker niet populistisch. MUG behield een duidelijk anti-autoritaire, linkse signatuur. In elk geval tot aan mijn ‘feitelijke’ afscheid eind 2019. Ook topfotografen vonden MUG, zoals Jan van Breda en John Melskens.

Niet iedereen van de oorspronkelijke redactie trok de verandering. Sommigen zagen in de koerswijziging hét moment om ook zelf een andere weg in te slaan. Zo maakte redactiechef Jacques de Vos al vrij snel bekend zijn oud-collega Bert Vink achterna te willen. Ook hij maakte de overstap naar een ‘echte’ baan in de media. De Vos was een dragende kracht, die – hoewel hij de irritante gewoonte had om met zijn rug naar de redactie toe te zitten – borg stond voor het altijd halen van de deadlines en voor kwaliteit. Dat juist hij als een van de eerste WIW’ers afscheid nam, nog voordat de reorganisatie kon worden voltooid, was een tegenvaller.

Zijn vertrek was een tegenvaller waar ik als nieuwbakken hoofdredacteur aan moest wennen. Er lagen er nog heel wat in het verschiet, juist ook op het personele vlak. Met minimale middelen een blad als MUG overeind houden én tegelijkertijd een soort van ‘sociale werkplaats’ voor hoogopgeleiden – met alle respect voor ieder van hen – in stand houden was nu eenmaal geen sinecure. Gelukkig bleven er genoeg getalenteerde schrijvers over, en werd het team regelmatig met nieuwe ‘banenpoolers’ en ‘arbeidsparticipanten’ versterkt. De aangekondigde afbouw van het gesubsidieerd werk bleek vooral een storm voor de stilte (in plaats van andersom). Voorlopig was MUG nog altijd een kruiwagen vol creatieve kikkers.

De eigen MUG-distributie begon met een Piaggo driewieler. Gelukkig kon Fred van der Zee al snel overstappen op een volwassen bestelauto, met radio en verwarming.. De Citroën Nemo werd na vijf trouwe dienst ingeruild voor een grotere bus, al snel daarna zelfs een elektrische. MUG ging met zijn tijd mee.

Bij de professionaliseringsslag hoorde ook een slimmere distributie, ter vergroting van MUG’s bereik. Daartoe werden nieuwe displays aangeschaft (bij de sociale werkplaats SWA in Alphen aan den Rijn), die plek boden aan meer dan één blad (Woonmagazine) of extra veel MUG’s op goedlopende locaties, en werd een vaste distributeur aangetrokken: Fred van der Zee, die ook een getalenteerd fotograaf bleek te zijn, een welkome aanvulling op het team van freelance fotografen. Kleine, nauwelijks bezochte plekken verdwenen van de lijst en maakten plaats voor onder meer supermarkten. Het idee was om ook voor andere organisaties te distribueren, om de kosten te drukken. Op een incidentele klus na, bleef die uitbreiding beperkt tot De Groene Amsterdammer. Ook pogingen om meeliftende buurgemeenten als Diemen, Ouder-Amstel en Amstelveen te laten meebetalen liepen op niets uit.

De nieuwe redactionele aanpak vertaalde zich al snel in complimenten van andere media, van Trouw en Het Parool tot het FD, de gemeente, relaties en – last but not least – lezers. Het vernieuwde magazine werd beter meegenomen én beter gelezen dan ooit, zo ervoeren we dankzij het zelf regelen en uitvoeren van de distributie én bevestigde ook lezersonderzoek (O&S en Bureau Markteffect). Belangrijke feedback kwam van lezers die aangaven MUG met veel plezier te lezen en veel aan de praktische informatie in het blad te hebben. Het succes van MUG leidde ook tot bijzondere projecten zoals schuldhulpgidsen voor Amsterdam, Rotterdam en Arnhem, in opdracht van de Delta Lloyd Foundation (Stichting van Schulden naar Kansen).

Speciale jongereneditie met Pieter Hilhorst als gasthoofdredacteur. De voorpagina is van fotograaf Lisa Elsenburg en vormgever Karim Khamis. Gastredacteur Josje Kerkhoven interviewde straatartiest Laser 3.14. Kerkhoven keerde later bij MUG terug als freelance redacteur

Ook online onderging MUG een restyling. De hopeloos verouderde website werd vernieuwd; het domein www.mugweb.nl na enige tijd vervangen door www.mugmagazine.nl. En vanzelfsprekend werden accounts op sociale media aangemaakt. Toch bleef MUG’s digitale aanwezigheid bescheiden, tot op de dag van vandaag en zelfs tijdens de eerste corona-lockdown. Hoe dat komt? Om te beginnen vergt ook digitaal publiceren veel arbeidsintensieve inzet én voldoende financiële middelen om in vernieuwing te blijven investeren, van websites en een effectief gebruik van sociale media tot content. Daarbij was MUG in zijn digitale ontwikkeling altijd meer dan in zijn papieren core business overgeleverd aan de deskundigheid en betrouwbaarheid van derden. Zo bracht de laatste grote investering in een nieuwe website in 2018 slechts ten dele het beloofde resultaat.

Wat online succes ook allesbehalve vanzelfsprekend maakt is dat minima lang niet altijd hun informatie op internet zoeken, al is het maar vanwege de kosten. De papieren MUG Magazine is gratis voor zijn lezers; dat is het bezoeken van www.mugmagazine.nl of enige ander platform per definitie niet, tenzij je ergens kosteloos het internet op mag en de benodigde vaardigheden hebt. Ook toegankelijkheid en complexiteit van het internet werpen een drempel op, niet alleen voor ouderen. Bladeren in het papieren maandblad daarentegen is gratis én simpel, en daarmee uiterst laagdrempelig. De juiste informatie online vinden, zonder ook nog eens voortdurend afgeleid te worden, is voor velen – laag- én hoogopgeleid – een heel ander verhaal. MUG Magazine ligt op zo’n 200 plekken in Amsterdam en enkele randgemeenten (Amstelveen, Diemen, IJmuiden), en is in veel supermarkten (Albert Heijn, Dirk van den Broek) te vinden. (3)

De gemeente sprong incidentele bij met extra subsidie. Ook de Delta Lloyd Groep Foundation (latere Stichting van Schulden naar Kansen) hielp MUG een paar keer uit de brand. Zo kon er ondanks steeds dreigende exploitatietekorten toch worden geïnvesteerd in onder meer nieuwe diplays, een website en automatisering

Zoals al opgemerkt, er waren genoeg tegenslagen. Een belangrijke was dat het idee om buiten de gemeentelijke sociale dienst om een substantieel bedrag aan eigen inkomsten te verwerven te ambitieus bleek. Het team van de eerste helft van mijn directeur/hoofdredacteurschap was daar al sowieso niet op berekend geweest. Redactie en backoffice misten de knowhow en professionele slagkracht. MUG’s zelfstandige advertentieverkoopster, die bij mijn aantreden het monopolie op de acquisitie had, slaagde er niet in om buiten de vaste klandizie van vooral sociale advocaten – die toch wel adverteerden – nieuwe adverteerders te verwerven. Dat maakte haar vergoeding onderwerp van discussie. De verhoudingen kwamen helemaal op scherp toen ze ook een deel van de gemeentelijke advertentie-inkomsten verlangde. Zo kwam aan die samenwerking een einde, hoewel MUG wel degelijk ook jarenlang van haar inzet heeft mogen profiteren. Een opvolger was niet te vinden. Het inkopen of aantrekken van (commercieel) talent bleek in de economisch al te booming jaren tien en twintig uiterst ingewikkeld, in elk geval voor een niet-commerciële titel als MUG Magazine.

Ook door mij bedachte concepten als MUG Werkt! sloegen onvoldoende aan, tegen mijn optimistische verwachtingen in. Een katern met ‘advertorial-achtige’ verhalen over bedrijven die personeel zochten, was toch wat de markt vroeg? Niet dus, op een enkel welwillend uitzendbureau of bedrijf na, dat met de ware middenstandersmentaliteit – die dat soort bedrijven nu eenmaal vaak kenmerkt – wel graag voor een dubbeltje op de eerste rang wilde zitten. Maar het echte verhaal is natuurlijk dat ook hier een toegewijde marketing/verkoop ontbrak. Het ‘er eventjes bijdoen’ van dit soort projecten werkt niet, of iemand moet daar een bijzonder talent voor hebben. Zelf had ik dat talent in elk geval niet.

Zeker achteraf gezien was het niet kunnen betalen van een goed functionerend backoffice, met tenminste een behoorlijk werkend secretariaat (ook in de financiële ondersteuning) dé zwakke schakel die MUG parten speelde. Daardoor belandden te veel praktische taken op het bureau van de directeur/hoofdredacteur, die daardoor aan andere zaken niet toekwam. Zeker na 2014, na de afbouw van het gesubsidieerd werk, was er feitelijk geen secretariële ondersteuning. Er zijn meer kleine titels met een kernredactie van hooguit enkele personen, maar die kunnen veelal gebruik maken van de grotere organisatie (uitgever), waar zij onder vallen, voor zaken als ICT, financiën, (personeels)verzekeringen, relatiebeheer enzovoort. Die compensatie had bij MUG van de gemeente moeten komen of van een externe partij.

Afscheid van een redactie, en toch ook weer niet

De derde en meest ingrijpende transformatie die ik als directeur mocht – of liever ‘moest’ – leiden was het afscheid van MUG als leer-/werkbedrijf. Door het afschaffen van het gesubsidieerd werk (Melkertbanen), kromp de vaste ploeg in 2013/2014 van zo’n twaalf medewerkers naar een kernteam van aanvankelijk nog maar drie vaste krachten, inclusief mijzelf. Uiteindelijk bleven er nog maar twee over, niet eens fulltime, plus de distributeur (niet in dienst van BBU). Het afscheid van zo veel collega’s deed pijn, al hadden sommige MUG’ers daadwerkelijk een forse afstand tot de arbeidsmarkt… en dus ook tot wat MUG nodig had om mee op te stomen in de vaart der volkeren. Sommigen kostten meer dan ze opleverden, om het maar eens onaardig te zeggen.

De consequentie van de abrupte krimp was dat niet alleen vrijwel al het journalistieke werk maar ook essentiële taken als de opmaak, (financiële) administratie, acquisitie en andere ondersteunende functies door de twee overgebleven stafkrachten ‘erbij’ werden gedaan, moesten worden uitbesteed (freelance) of stomweg bleven liggen. Leerling-journalist Marcel ontpopte zich tot stafassistent. Ook hielp hij met de financiële administratie. Zijn relatief brede inzetbaarheid maakte dat hij als enige van de oude WIW-ploeg in 2015 de overstap naar een dienstverband (parttime, tegen bescheiden loon) bij BBU kon maken. Het was roeien met de riemen die we hadden, als armlastig blad met nog wel als koppige ambitie om twaalf (!) keer per jaar een sterk tijdschrift uit te brengen en een website in de lucht te houden.

De nieuwe constructie had niet alleen nadelen. Omdat MUG geen leer-/werkplek meer was – met soms trekjes van een sociale werkplaats – konden er hogere eisen aan de journalistieke kwaliteit worden gesteld. Bovendien toonden de freelancers en vrijwilligers die MUG Magazine vanaf ongeveer 2014 vorm en inhoud gaven zich veelal minstens zo betrokken als het oude vaste WIW-team. Een klein deel van de oude ploeg – niet allemaal WIW’ers – bleef MUG trouw, zoals Toine Graus, Jos Verdonk, Arjan van Oorsouw, vrijwilligster van het eerste uur Tony Strijbosch en distributeur/fotograaf Fred van der Zee. Daarnaast nog een aantal freelancers (ook fotografen, illustrators en het vormgeversduo Van der Doe/Jimmink), die vaak al in de oude constructie voor MUG werkten.

De veel kleinere personele bezetting maakte verhuizing naar een bescheidener en vooral goedkopere ruimte gewenst. Die werd gevonden in het pand van het Amsterdams Steunpunt Wonen (ASW) aan de Nieuwezijds Voorburgwal, waar toevalligerwijs een van de MUG-oprichters al jaren werkzaam was: Tjerk Dalhuisen. Ook was MUG’s vaste klant de Huurdersvereniging Amsterdam er gevestigd. Het was de derde door mij georganiseerde verhuizing: van de Da Costastraat naar het Zeeburgerpad (antikraak), naar de Tilanusstraat. En nu dan naar de Nieuwezijds. We werden er handig in. De laatste verhuizing onder mijn regie vond in 2019 plaats, naar de Tweede Leeghwaterstraat. In totaal mocht ik vier kantoorverhuizingen organiseren, en daarbij flink zelf de handen uit de mouwen steken.

Ook financieel was de krimp ingrijpend. De achterliggende jaren (2007-2013) had MUG immers goeddeels op gesubsidieerd werk gedraaid, oftewel met min of meer ‘gratis’ personeel. Alleen ondergetekende en een parttime vormgever/opmaker stonden in de Tilanusstraat-periode ongesubsidieerd op de loonlijst. Gratis personeel klinkt mooier dan het is. Zoals al aangestipt, om te beginnen vormde het begeleiden van de ploeg WIW’ers, ID’ers, arbeidsparticipanten en vrijwilligers een uitdaging op zich, die nogal eens ten koste ging van mijn uitgeverstaken en rol als hoofdredacteur. Hoewel iedereen die ooit bij MUG heeft gewerkt zijn/haar onvergetelijk positieve aandeel heeft geleverd, kostten sommigen nu eenmaal meer aandacht dan hun productiewaarde (excusez le mot) rechtvaardigde.

Wat te denken van de ervaren journalist die steevast met een fikse drankkegel op zijn werk verscheen, de ambitieuze eindredacteur (v/h dagblad De Pers) die als dakloze stiekem op kantoor sliep, de opmaker wiens echtgenote zoveel schulden maakte dat ik om de haverklap met deurwaarders in de clinch moest om te voorkomen dat zijn hele loon hem werd afgetroggeld, de dementerende oud-literator, de opvliegende ex-verslaafde, de halfblinde eindcorrector of de weinig getalenteerde ‘leerling-journalist’ (zoals hij zichzelf graag noemde) die dagelijks met een kladbloc in zijn knuisten op mijn drempel verscheen om begeleiding te eisen. En dan waren er nog de constante ruzies, tussen redacteuren onderling.

Toch vormden we in mijn beleving een collegiaal team, dat met een beetje extra personeelsbudget in sociaal zowel als journalistiek opzicht eindeloos veel meer had kunnen betekenen dan nu, kort gehouden door wethouders en ambtenaren die op zich welwillend tegenover het eigenwijze MUG leken te staan maar de hand op de knip hielden. Er was één ding waar ze hoe dan ook niet onderuit konden: MUG Magazine bereikte ondanks alles 40.000 lezers per maand, Amsterdammers die de gemeente vaak op geen enkele andere manier kon bereiken. En ondanks alle interne gedoe en financieringstroebelen mocht MUG regelmatig waardering oogsten, niet alleen van lezers maar soms ook uit onverdachte hoek, zoals deze column in het Financieele Dagblad illustreert.

FD-chef Ronald van de Krol zag in 2009 overeenkomsten tussen zijn Financieele Dagblad en MUG Magazine. En dan niet alleen dat MUG – toen nog – bij Drukkerij Dijkman in Diemen werd gedrukt. Enkele jaren later, met de transformatie naar tijdschriftformaat, zag MUG zich gedwongen over te stappen naar Senefelder in Doetinchem

Hangen en wurgen

De laatste verhuizing, naar broedplaats De Remise in de Tweede Leeghwaterstraat, hield opnieuw een belofte in, weer een nieuwe koers. Noodgedwongen, want het water stond MUG weer eens aan de lippen. Het bestuur deelde mijn visie dat er drastische veranderingen nodig waren om aan het eindeloze en doodvermoeiende watertrappelen een eind te maken. De Remise maakte voorlopig deel uit van die verandering, hoe bescheiden ook. Het idee was een journalistencollectief dat tegen een vriendelijke prijs flexibele werkplekken verhuurde, waarmee MUG niet alleen op huisvestingskosten zou kunnen besparen maar ook nieuw, jong bloed aan zich zou kunnen binden. Ook de plek, met de redacties van Volkskrant, Parool en Trouw om de hoek, zou inspirerend werken, zo hoopte ik.

Tegenvallers komen nooit alleen. Zo waren er de onvoorziene extra kosten voor de website (oorspronkelijke opdrachtnemer en zijn partner waren hun belofte niet geheel nagekomen), die overigens werden gedekt door wederom een financiële injectie van de gemeente. En er was pech met de bestelbus. En er waren de oplopende personeelsschulden. De penningmeester van stichting BBU verzuchtte niet voor niets in een e-mail in september 2019: ‘…we leven dus op kosten van Joop (dat wisten we al).’ Die verzuchting sloeg op het jarenlang niet kunnen uitbetalen van de zogeheten pensioencompensatie.

Tussendoor moest ook het bestuur worden versterkt. Dat was sinds 2007 stabiel geweest en bestond (met wat wisselingen) uit Hansje Kalt, Ivo Rigter, Mark van Dongen, Robert Sandelowsky en Andries de Jong. Andere bestuursleden voor langere of kortere tijd waren ex-uitgever Patrick Vernack en oud-journalist Fred Vermeulen. Op Rigter na namen alle bestuursleden in de periode 2017-2018 ontslag – ze vonden terecht dat hun tijd erop zat – om te worden opgevolgd door Pam de Soete, Hylke van der Meer en Eef Meijerman. De laatste werd gevraagd vanwege zijn financiële expertise (oud-directeur/bestuurder van stichting Woon! en naar later uitkwam ook nog bezoldigd commissaris bij de Utrechtse wooncorporatie Bo-Ex). PvdA’er Meijerman beriep zich bovendien op zijn partijpolitieke contacten op het stadhuis, die van pas zouden komen.

Maar de grootste tegenvaller moest nog komen… althans voor mij persoonlijk. Mijn ziekte – een hartoperatie en een laat (alhoewel ik nog van heel veel geluk mocht spreken) ontdekte auto-immune limbische encefalitis – maakte pas goed duidelijk hoe kwetsbaar MUG al die jaren was geweest, zonder budget om een serieuze reserve op te bouwen, een deugdelijke pensioenregeling (4) en personeelsverzekeringen af te sluiten en voor voldoende personele ‘massa’ te zorgen. Gelukkig schoot de gemeente MUG – als altijd – weer eens te hulp, zodat er een tijdelijke vervanger van buiten geregeld kon worden. Mijn pech legde hoe dan ook bloot hoe het al jaren koorddansen was… puur overleven, met soms meevallers zoals de schuldhulpgidsen voor de Delta Lloyd Groep Foundation/Stichting van Schulden naar Kansen en regelmatige reddingsoperaties door de gemeente.

Het inkoopcontract was sinds 2007 telkenmale herbevestigd en meermalen ‘incidenteel’ opgehoogd. Daar gingen meestal gesprekken aan vooraf tussen het BBU-bestuur en ondergetekende met sociale dienst-ambtenaren en iedere bestuursperiode minimaal één (kennismakings)gesprek met de wethouder van dienst. Zo zaten we aan tafel met achtereenvolgens Ahmed Aboutaleb (PvdA) en diens opvolger Freek Ossel (PvdA), Andrée van Es (GroenLinks), Arjan Vliegenthart (SP), Rutger Groot Wassink (GroenLinks, werk en inkomen) en last but not least Marjolein Moorman (PvdA, armoedebestrijding). Stuk voor stuk welwillend. De meeste van deze wethouders hebben ook werkelijk iets voor MUG betekend. Helaas moet ook worden vastgesteld dat geen van hen die extra stap wilde zetten, nodig voor een gezonde, enigszins sociale en perspectief biedende bedrijfsvoering. Ook niet nadat een topambtenaar in 2018 bereid leek een structureel fors hogere ‘inkoopsom’ aan te bevelen bij de sociale dienst-directie en de verantwoordelijk wethouder, een partijgenoot. Tevergeefs.

MUG-redactiezolder in gebouw De Remise aan de Tweede Leeghwaterstraat

In de wandelgangen is vaker door de sociale dienst-leiding toegegeven dat de inkoopsom van nog geen €200.000,- per jaar veel te weinig was voor een normale bedrijfsvoering, met de kwaliteit die MUG ondanks alles bleef leveren. Er werd niet voor niets om de zoveel tijd financieel bijgesprongen, om schulden in te lopen, een faillissement af te wenden of een noodzakelijke investering te kunnen doen.

Als voormalige MUG-directeur/hoofdredacteur mag ik de gemeente en zijn achtereenvolgende wethouders dankbaar zijn voor het in stand houden van MUG Magazine. Tegelijkertijd is er het ietwat cynischer beeld van een links college dat MUG consequent liet bungelen, dat kennelijk maar schoorvoetend MUG’s belang erkende in het bereiken van de meest kwetsbare Amsterdammers. Saillant: volgens de UvA (Mediastudies) telde Nederland in 2010 zo’n 150.000 pr-medewerkers bij de overheid, het bedrijfsleven en organisaties. Volgens de onderzoekers kwam dat neer op tien voorlichters voor ieder van de 15.000 journalisten in ons land (bron: Het Parool). Dat was de stand ruim tien jaar geleden. Op het communicatiebudget van de gemeente Amsterdam stelde de ‘subsidie’ voor MUG Magazine bitter weinig voor.

Daar komt iets bij wat ik niet direct kan onderbouwen. Maar toch… bijstand, uitkeringen, armoede en schuldenproblematiek liggen politiek minder prettig dan pakweg wonen. Met wonen valt nu eenmaal beter te scoren, met of zonder verstoorde woningmarkt. Ter vergelijking: het gesubsidieerde jaarsalaris van de directeur van eerder genoemde stichting !Woon ligt al jaren dik boven de ton, plus een iets lager (sic) bruto loon voor zijn vrouwelijke evenknie. Zonder enige jaloezie stel ik vast dat alleen al de tweekoppige staf van deze stichting Amsterdam meer kost dan het totale ‘inkoopcontract’ met MUG Magazine. Ook kabelzender AT5 mag hier niet onvermeld blijven, met een jaarsubsidie van zo’n 2,5 miljoen euro per jaar. Geen vetpot overigens, voor een tech-medium dat ook voor de nodige uitdagingen staat. Eenvoudige printmedia kunnen best met nog veel minder toe… was wellicht de naïeve gedachte. En dat is spijtig, want zoals ik hier betoog, is papier nog steeds cruciaal om een grote groep te bereiken die anders niet of moeilijker wordt bereikt. Daarbij had de gemeente als sociale partner wellicht iets meer ketenverantwoordelijkheid mogen nemen, wetende onder welke omstandigheden MUG gerund werd.

Tijd voor een nieuwe fase… maar zonder mij

Eind 2019 deed ik gedwongen een stap terug, wegens genoemde ernstige gezondheidsproblemen. In mijn afwezigheid werd door het BBU-bestuur nagedacht over een nieuwe koers, vooral om een extra investering van gemeentezijde te motiveren. Zo’n extra investering was dus inderdaad hard nodig, niet alleen voor innovatie maar sowieso om op een verantwoorde manier verder te kunnen. MUG kampte al jaren met een Catch-22: zonder budget is het nauwelijks mogelijk om op marketing, acquisitie en fondswerving in te zetten; zonder dat blijft MUG afhankelijk van een gemeente die de hand op de knip houdt en pas bijspringt wanneer het water echt aan de lippen staat. Het mag om gemeenschapsgeld gaan, maar ook daarvoor geldt de waarschuwing penny wise pound foolish.

De hamvraag lijkt wat MUG over moet hebben voor de gewenste extra middelen en uitbreiding is cruciaal. Moet het blad na ruim dertig jaar dan toch zijn redactionele onafhankelijkheid opgeven, om als MUG 2.0 vooral online verder te kunnen en een taak op zich te nemen waarvoor MUG nooit is bedacht? Moet het blad een verlengstuk worden van de afdeling communicatie van de sociale dienst, of een ‘ANWB voor uitkeringsgerechtigden’? Is het überhaupt verstandig om een avontuur aan te gaan waarvoor de kennis, ervaring en personele bezetting simpelweg ontbreekt? De herinnering aan onze mislukte Budget Fair kwam boven, en ook de teleurstellende ervaring met MUG Werkt! (alhoewel ik dat laatste concept nog steeds als kansrijk en hoogst actueel beschouw).

Ook ik heb wel met het idee van een landelijk digitaal platform gespeeld, als portaal of ‘ontmoetingsplek’ voor alle bestaande online-bronnen in het sociaal domein. Het is ook wel in het BBU-bestuur besproken, als een zeer ambitieus plan dat een navenante investering vergt. Neem alleen al de 355 gemeenten met ieder hun eigen voorzieningen en invulling van de Participatiewet. Realistischer en al uitdaging genoeg is een informatieportaal naar de Amsterdamse werkelijkheid, met alle informatie over armoedevoorzieningen, sociale regelingen en schuldhulp in de hoofdstad. Daar kunnen ervaringen worden gedeeld – met input van o.m. cliëntenraden, Participatieraad Amsterdam, Bijstandsbond en lokale initiatieven – en kan de MUG-redactie voor de gewenste journalistieke verdieping zorgen. Dat is al een flinke uitdaging.

Nog los van de redactionele verrijking vraagt zo’n forum of platform minimaal een serieuze moderatie én het garanderen van de privacy van bezoekers en respondenten. Rondom sociale zekerheid ligt privacy extra gevoelig, zeker in combinatie met mogelijke ‘verdienmodellen’ waaraan wellicht wordt gedacht. Vergelijkingen met commerciële websites (cookie-schrapers) als opvolging van vroegere tijdschriften zoals Margriet en VT Wonen mogen nog zo inspirerend zijn, voor MUG Magazine en zijn doelgroep zijn dergelijke advertentie-sites vooral cynische voorbeelden. Dito Marktplaats of Amazon.com. Een MUG-portaal of -domein mag natuurlijk geen geldkoe worden en evenmin een semi-overheidsloket of belangenorganisatie (zoals de ANWB). Dan verliest MUG zijn geloofwaardigheid als medium. Een digitaal MUG-domein moet benaderd worden als niets meer of minder dan een uitbreiding van MUG’s redactionele activiteiten, met respect voor MUG’s journalistieke integriteit en de doelstellingen van stichting BBU.

De kracht van papier

De kracht van MUG Magazine ligt vooral in zijn papieren verschijning, in het gegeven dat je het blad op elk moment op meer dan 200 plekken in de stad zomaar tegenkomt en gratis kunt meepakken… om vervolgens verrast vast te stellen dat dit nu eens geen commercieel niemendalletje is of al dan niet slim verpakte overheidscommunicatie. MUG Magazine bedient in print naar schatting 30.000 tot 40.000 lezers iedere maand (5). Dat is op een stadsbevolking van nog geen 900.000 inwoners, waarvan 140.000 tot de minima worden gerekend, absoluut geen slechte score. Sommigen zullen zeggen dat de kracht ook ligt in MUG’s knowhow op het gebied van sociale voorzieningen, maar dat is zeer ten dele waar. Bovendien zijn er organisaties, ook online, die beduidend meer kennis en ervaring in huis hebben.

Mijns inziens rechtvaardigen het bereik van MUG en de waardering die het blad geniet meer ambitie dan slechts ‘meeliften’ op een landelijk digitaal platform, zoals is voorgesteld. In dat laatste schuilt bovendien de verleiding om uiteindelijk maar helemaal met het magazine te stoppen, zoals al met te veel bladen is gebeurd. Een magazine of krant laten drukken en distribueren zijn nu eenmaal prijzige activiteiten. Zie het lot van de gratis dagbladen Metro, Spits en De Pers. Zie ook de erbarmelijke staat waarin menig huis-aan-huisblad verkeert, qua redactie, kwaliteit en distributie. Ondertussen raken steeds meer Nederlanders aan gratis nieuws overgeleverd, als ze nog iets mee willen meekrijgen van hun stad of wijk, om over landelijk nieuws dat hen aangaat nog maar te zwijgen.

Er klinken ook – al sinds jaar en dag – geluiden om MUG Magazine laagdrempeliger te maken, zodat ook laaggeletterden het blad beter gaan lezen. De gemeente heeft deze wens meer dan eens uitgesproken, meestal in een ‘bilateraaltje’ want – eerlijk is eerlijk – de sociale dienst heeft de autonomie van de MUG-redactie altijd volledig gerespecteerd. Laaggeletterden aan het lezen krijgen is een serieuze uitdaging. Hoe doe je zoiets? Kortere, eenvoudigere artikelen? Meer beeld, minder tekst en een andere vormgeving? Aandacht voor onderwerpen die laaggeschoolden meer aanspreken? Achter de altijd klinkende roep om meer bereik en het bedienen van arme burgers die nu nog te vaak onder de radar blijven, gaan vanzelfsprekend louter goede bedoelingen schuil, maar de vraag is of MUG daar echt iets in kan betekenen. Het risico is levensgroot dat een dergelijke transformatie niet aanslaat en ondertussen de vaste lezers wegjaagt.

Overigens heeft MUG een aantal jaren in samenwerking met de stichting Lezen en Schrijven een pagina voor laaggeletterden gemaakt. Er zijn mij helaas geen signalen bekend dat dit experiment ook maar iets heeft opgeleverd, behalve misschien het signaal dat laaggeletterdheid een serieus probleem is in onze moderne samenleving. Daarbij, het gratis meenemen van een tamelijk laagdrempelig blad als MUG Magazine laat mensen lezen, ook zij die dat niet gemakkelijk afgaan. En wie echt niet leest, kan vaak een beroep op zijn of haar omgeving doen. We weten dat MUG ook veel Amsterdammers ‘indirect’ bereikt.

Vernieuwing staat soms heel dichtbij

Alles dan maar bij het oude laten? Zeker niet. In de eerste versie van dit stuk (voorjaar 2020) suggereerde ik dat MUG verbreding zou moeten zoeken door nog meer aansluiting te vinden bij de mensen die ons het hardst nodig hebben én die onze praktische, soms kritische en altijd onafhankelijke insteek kunnen waarderen. Dat laatste is namelijk ook een voorwaarde om voordeel te beleven aan een blad als MUG Magazine. Ze mogen dan hulp nodig hebben, minima en mensen met problematische schulden laten zich – volkomen terecht – niet van alles opdringen. Dat realiseerde de gemeente zich al in 2006 toen oud-wethouder Ahmed Aboutaleb tekende voor MUG’s journalistieke onafhankelijkheid en verklaarde: ‘Juist door kritisch en onafhankelijk te zijn bereikt onze boodschap óók mensen die wij anders niet bereiken.’

Laat MUG vooral doen waar MUG goed in is; dat is een sterk nieuws- en opinieblad maken. Journalistiek is nog lang niet overbodig. Wie dat denkt, wijzend op internet als onuitputtelijke informatiebron, kletst net zo in de ruimte als een dansleraar over corona. Kritische, onafhankelijke journalistiek is harder nodig dan ooit, juist ook voor de doelgroep van MUG, die misschien wel meer dan gemiddeld ontvankelijk is voor desinformatie. Amsterdam had, samen met de biblebelt de laagste vaccinatiegraad, vooral in de zogeheten kansarmere buurten. Ook aan de strijd tegen corona had MUG een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

Moet de gemeente als enige voor MUG opdraaien? Dat is niet gezegd. Voor een gratis publiekstijdschrift liggen wellicht ook nog wat commerciële kansen, juist in een krimpende bladenmarkt naast een – helaas, vanwege de coronacrisis – groeiende doelgroep. Daar is dan wel een actieve acquisitie voor nodig en wellicht een gedreven fondsenwerver.

Verbetering is altijd mogelijk (schreef ik in 2020, voor alle duidelijkheid). Er zijn genoeg Amsterdammers die zich niet gehoord voelen en die zich graag door een blad als MUG Magazine laten inspireren maar zich nu nog te weinig in MUG herkennen. Zoek de haarvaten en subculturen van stadsdelen als Zuidoost, Nieuw-West en Noord (en wellicht ook randgemeenten) op. Om de zoveel tijd is ook een restyling van het blad onvermijdelijk: een frisse look en ondersteunende activiteiten ter verbetering van MUG’s imago als medium dat met zijn tijd meegaat, inclusief wil zijn en een breed publiek durft aan te spreken.

Bovenal is een optimale verkrijgbaarheid van ieder gratis blad het geheim van de smid: nog meer plekken in de stad (en daarbuiten) waar je MUG tegen het lijf loopt leiden bijna als vanzelf tot een nog beter bereik. Wat MUG uit vorige koerswijzigingen kan leren is dat geleidelijke verbeteringen de beste garantie bieden op een bestendig grotere lezerskring. Ik denk daarbij eerder aan het aanboren van nieuwe thema’s en onderwerpen dan aan een nieuw (digitaal) avontuur. De belangrijkste voorwaarde blijft mijns inziens de journalistieke drive die MUG Magazine in de achterliggende vijftien jaar kenmerkte, van werkvloer tot BBU-bestuur.

De opdracht tot vernieuwen vraagt een groter financieel commitment van de gemeente Amsterdam. Ik heb al eerder bij wethouders het idee neergelegd dat MUG Magazine niet vanuit de sociale dienst zou moeten worden gefinancierd maar als lokaal medium, net als AT5, gewoon met subsidie en met alle verantwoordelijkheid die daar bij hoort. De sociale dienst zou daarnaast als adverteerder tegen een meer marktconform tarief zijn advertentiepagina’s kunnen kopen. Ook in een subsidierelatie moet de redactie zich veilig weten en niet voor politieke, ambtelijke of nog subtielere inmenging hoeven te vrezen.

Wat mij betreft geldt bovenstaande ook voor lokale nieuwsbladen: huis-aan-huis (commercieel) en wijkkranten. Te vaak wordt bij een mediafonds of potjes voor lokale media alleen aan de kabel (rtv) en aan hippe digitale avonturen gedacht. Ook leuk, maar er blijft vooralsnog een grote groep burgers die van papier afhankelijk is. Bovendien heet de vrije pers niet voor niets zo: ‘pers’, als in ‘journalistiek’, komt toch echt van ‘drukwerk’. Papier, of in de toekomst een hightech opvolger die even laagdrempelig kan worden aangeboden, heeft nog steeds de toekomst… of niet, maar dan mag de democratie haar borst nat maken.

En ja natuurlijk, ook MUG moet met zijn tijd mee. Het is niet print of digitaal, maar print én digitaal. Daarvoor moet dan wel eerst een analyse worden gemaakt van de informatievraag én onze mogelijkheden om daaraan te voldoen, zonder dat dit ten koste gaat van het succes van MUG Magazine. Crowdsourcing en nieuw lezersonderzoek kunnen daarbij van nut zijn, naast het raadplegen van relaties (in het sociaal domein, de wetenschap en de media) én bovenal de eigen redactie. MUG-redacteuren beschikken over een schat aan kennis, ervaring en journalistieke knowhow.

Noten bij dit artikel:

  1. In de jaren tachtig deed ik het bijvak Geschiedenis van de Pers bij prof. Joan Hemels, co-auteur van De Nederlandse krant 1618-1978: van nieuwstydinghe tot dagblad. Dit essay mag gezien worden als eerste aanzet of bijdrage aan een geschiedenis van MUG Magazine, of door anderen als zodanig te gebruiken.
  2. O.v.t. want ik ben formeel per 1 januari 2021 en feitelijk al vanaf april 2020 niet meer bij het blad betrokken, nadat ik in november 2019 met ziekteverlof ging. Tegen het einde van dat verlof, in de winter van 2020, verrichtte ik nog wel wat redactiewerk. Ik kan dus slechts voor mijzelf spreken, over de periode waarin ik hoofdredacteur was en het redactiestatuut bewaakte. Hiermee is niets gezegd ten nadele van enige voorganger of opvolger.
  3. Ook hierbij geldt: dit was de stand tot aan mijn vertrek bij MUG. Voor de meeste cijfers, namen en data moet het voorbehoud worden gemaakt dat ik slechts geput heb uit mijn persoonlijke archief en herinnering.
  4. Met een deugdelijke pensioenregeling wordt hier een pensioenfonds bedoeld. MUG kende wel een compensatieregeling t.b.v. pensioensparen, door het bestuur met terugwerkend kracht ingevoerd nadat extern onderzoek had uitgewezen dat de stichting te armlastig was om zich bij een pensioenfonds aan te sluiten.
  5. Op basis van een inmiddels wat gedateerd onderzoek van Bureau Markteffect, waaruit een schatting naar voren kwam van zo’n 40.000 lezers per maand, plus circa 10.000 online.

 

In gesprek met Vinkenoog

Onder de kop Laat niet met je sollen, Am*dam verscheen op 9 april 2004 in De Week (1) onderstaand interview met Simon Vinkenoog (1926-2009). Het gesprek vond plaats in de woning van Vinkenoog’s partner Edith aan de Sarphatistraat, vlakbij waar ik zelf destijds woonde. Toch kende ik de excentrieke hippie-schrijver/dichter niet als buurtgenoot maar slechts van zijn boeken en tv-optredens. En dat is dan ook nog overdreven. De eerlijkheid gebiedt toe te geven dat ik alleen Wij helden (1957) heb gelezen, voor mijn literatuurlijst op de middelbare school. En soms een gedicht, waarvan er geen mij echt is bijgebleven. Weleens een voordracht op Ruigoord bijgewoond, staat me vaag bij. Toch had ik grote sympathie voor deze vrijwel enige serieus te nemen literaire vertegenwoordiger van de beat-generatie in Nederland.

Onderstaande tekst is op een enkele correctie na integraal overgeschreven van tape. Het was niet mijn gewoonte interviews op te nemen om ze naderhand te transcriberen. Als ik een gesprek opnam, was dat om uitspraken te kunnen verifiëren. Maar Simon Vinkenoog sprak schrijftaal.

 

Laat niet met je sollen, Am*dam

Dichter, schrijver, cultuurfilosoof, psychedelicus, geboren en getogen Amsterdammer en interim Dichter des Vaderlands Simon Vinkenoog blijft doorroken, ook als Jan-Peter Balkenende cannabis weer strafbaar maakt. Terugkeer naar Parijs, waar de dichter in de jaren vijftig enige tijd woonde, zit er niet in. Terugkeer naar de normen en waarden uit de diezelfde jaren vijftig trouwens ook niet. Vinkenoog gaat met zijn tijd mee, en wil nog zeker vijf jaar Dichter des Vaderlands zijn, en ook dichter van de hoofdstad.

U bent weggeweest maar teruggekeerd, en altijd Amsterdammer gebleven?
“Waar had ik anders heen gemoeten?”

Komrij zit lekker in Portugal.
“Ja, dat was wel een Dichter des Vaderlands die ruim twintig jaar geleden met vrachtwagens vol boeken het land ontvluchtte. Dat mag ook wel eens gezegd worden.”
Echtgenote Edith valt bij: “Komrij was ook geen eerste keus. Dat was Rutger Kopland maar die bedankte voor de eer.”
Vinkenoog: “Dat is van voor mijn tijd. Men verwijt mij wel eens dat ik aan de weg timmer maar de weg timmert aan mij. Ik heb er niet om gevraagd – niet dat het me passief overkomt, want ik kan altijd ja of nee zeggen… ik word gevraagd voor lezingen, openingen van tentoonstellingen, in broedplaatsen, op festivals, heb het druk zat. Dit overviel me en ik moet zeggen dat ik me er ontzettend in thuis voel. Ik heb al vier gedichten geschreven in deze functie (onder meer over het verscheiden van prinses Juliana, red.) en er komen ongetwijfeld nog heel veel belangrijke onderwerpen, brandende thema’s waar ik gedichten over wil schrijven. Dat hoeft niet altijd het koningshuis te zijn, kan ook iets zijn wat in mijn eigen buurt gebeurt. Ik bedoel, de hemel verhoedde dat Nelson Mandela doodgaat maar reken dat ik daar ook wat te zeggen zal hebben. Dat is een man waarmee ik mij verwant voel… niet omdat ik in de gevangenis heb gezeten…”

Edith: “Omdat jullie op dezelfde dag jarig zijn.”
“Ook nog. Hij is precies tien jaar ouder dan ik. Op 18 juli vorig jaar werd hij 85. Nee, maar dat Amsterdammerschap neem ik serieus. Amsterdam trekt nog steeds talenten aan. Gisteren hoorde ik mensen zeggen – en daar zijn we het ook mee eens – dat Rotterdam ook een leuke stad is, dat er óók veel gebeurt. Ja.. maar je gaat toch altijd weer naar Amsterdam terug.”

U bent ooit naar Parijs geëmigreerd.
“Van mijn twintigste tot mijn achtentwintigste. Belangrijke jaren, want als je dan terugkomt, acht jaren later, dan denk je ik ben een vreemde eend in deze bijt. Maar dat is een leuke situatie want tegelijkertijd ben je een eend van iedereen, je hebt je familie, je connecties, je bouwt weer iets op in het land en je spreekt je moerstaal. De belangrijkste reden voor mij om uit Frankrijk weg te gaan, plus het feit dat daar in die tijd op alle hoeken van de straat politieagenten met mitrailleurs gingen staan omdat Algerije zich wilde bevrijden van het koloniale juk. En dat deed me teveel denken aan de oorlogsjaren, die ik ook heel bewust heb meegemaakt tussen mijn elfde en mijn zestiende.”

Ook de crisisjaren?
“Ik ken zowel die depressiejaren met maatschappelijk hulpbetoon, steun. Dat je in de rij staat voor een blikje soep of boven, of kleren. Ik leefde met mijn gescheiden moeder alleen. Ja, dat was geen vetpot. Mijn moeder was een lieve werkster, een goeie vrouw, maar alles een beetje. Ik heb het toch van mezelf, geen boek in huis. Ik heb het mezelf bijgebracht. Toen ik in de Jordaan van de zesde klas van de lagere school kwam, zeiden ze: ‘hij moet door, heeft een knap koppie’. Nou, mulo was het hoogste wat je kon bereiken.”

Herinneringen aan de Jordaan
“Mijn moeder verhuisde elk jaar, van 6,25 naar 5,75 gulden huur per week. Ik kan zo zes, zeven adressen opnoemen waar ik gewoond heb, in de Nieuwe Leliestraat, Westerstraat, Daniël Stalperstraat, Govert Flinckstraat. Dan kreeg ze ook een nieuw behangetje, maar ik weet er niks meer van. Al die verhuizingen, of dat nou met een bakfiets ging, ik weet dat nauwelijks. Het is allemaal langs me heen gegaan. Ik zat nogal in mijn eigen leerwereld, ik deed impressies op. Ja, ik schreef. Dat deed ik. Al voordat ik naar school ging, vond ik het al zo’n mysterie dat mensen kunnen lezen en dat die letters samen woorden vormen. Het blijft een mysterie. Nog steeds komen d’r gekken woorden langs: ‘adelborst’, ‘bloemenbrik’.”

Na Komrij Vinkenoog als DDV. Je zou er haast vrolijk van worden.
“Ik ben honderd procent optimist. Ik heb vertrouwen in de mensen en ik weet dat het slecht gaat met de wereld maar als mensen een beetje bewuster worden dan is het mogelijk om een hemel op aarde te vestigen. Ik ben net als Juliana voor de wereldvrede, maar die begint per persoon. Je kunt niet zeggen: ‘ga nu allemaal de vrede beoefenen’. Ik vertrouw op de Verenigde Naties. Dat is het enige wereldforum dat we hebben. Dat is ontzettend belangrijk. Via mijn werk in Parijs, waar ik voor de Unesco werkte, heb ik gezien hoeveel kennis er is, die moet doorsijpelen naar de mensen. Dat ze weten hoe gevaarlijk racisme is, en discriminatie en ontbossing en erosie en luchtvervuiling, en wat er allemaal niet meer is. Dat zijn toch problemen waar de mensheid mee zit, en die zijn vaak groter dan het gekissebis en de heibeltjes.. en de kleine schijnproblemen waar mensen zich druk om maken…
…want ik zat gisteren in dat programma met Conrad Maas… nou eh, soms is het alsof de media van de hypes afhangen, dat mensen telkens weer door iets heen gaan, is het niet Maxima, of is het niet eh… die Margaritha met haar man.”

Waar is de jonge generatie?
“Er zijn genoeg goeie jonge dichters, maar die moeten zich nog bewijzen. Ik bedoel, Frits Barend weet dat mijn zoon van 25 een goeie voetballer is, om maar iets te zeggen. En hij is gaan kijken.. (tegen Edith) hij heeft een wedstrijd met Arthur gezien, met zijn dochter, zei-die (‘Ach, wat leuk’). Waar blijft de jonge generatie? Wij zien het nog wel, je komt overal in het land interessante mensen tegen.”
Edith: “Een jonge dichter zou natuurlijk nooit Dichter des Vaderlands kunnen zijn. Een jonge dichter kan het nieuws wel becommentariëren maar Simon kan het ook interpreteren. Dat zie je aan het gedicht over koningin Juliana. Vooral die laatste regels, prachtig: ‘met de barbaren voor de deur, en de geschiedenis vergeten’. Dat kan een jonge dichter niet verzinnen, want die staat midden in zijn eigen, nog prille geschiedenis. Die weet niet wat er in het verleden gebeurd is. Een Dichter des Vaderlands moet naar mijn gevoel iemand zijn die heel wat heeft meegemaakt in dit land.”
Vinkenoog: “Daar heb je helemaal gelijk in.”

Zie je ook een nieuwe tijd aanbreken?
“Door Juliana werden we weer gewezen op de spiritualiteit en de verdraagzaamheid. Soefisme is broederschap, liefde en harmonie. De wereld is niet harmonieus maar mensen kunnen wel individueel proberen een harmonieus leven te leiden en dan zijn ze als het ware oases in de woestijn, zeg ik altijd maar. Als je naar buiten gaat dan kom je in een gekkenhuis maar je moet proberen er zelf normaal bij te blijven. Ik vind het dus abnormaal als mensen onverschillig zijn, apathisch of laf. Om te leven heb je moed nodig. Je moet het doemdenken omdraaien tot ‘moeddenken’. Daarvoor is ook spiritualiteit nodig. Mensen kijken alleen naar buiten, je moet ook naar binnen kijken. Het is altijd maar naar buiten, zondebokken kiezen: de joden, de neger, de homo’s, de marihuana rokende junkie. We moeten naar een maatschappij zonder zondebokken.”

Wat bent u nou meer, schrijver en dichter of spiritueel filosoof?
“Dat laatste, van de kouwe grond. Nee, dat hoeft er niet perse achter. Ik denk over dingen na, zoals de taxichauffeur die me gisteravond naar Hilversum reed. Die man zei verstandige dingen, dat mensen wat vriendelijker tegen elkaar moeten zijn. Je hoeft niet meteen verlicht te zijn maar je kunt wel een ruimer blik op de dingen hebben. De meeste mensen hebben toch een kokerblik, die zien alleen maar hun eigen interesses. Mijn motto is dat van Jimi Hendrix: ‘I want to see and hear everything’. Voor minder doe je het niet.”

Hebben mensen de laatste twintig jaar niet ook een beetje teveel naar binnen gekeken?
“Je hebt het navelstaren van mensen die zich volkomen buitensluiten van de maatschappij. Die raken toch in een sociaal isolement en dat is ook heel gevaarlijk.”

We kijken uit het raam, langs het Amstelhotel. De rivier glinstert in de voorjaarszon. Vinkenoog verhaalt over de tijd dat hij even verderop aan de Weesperzijde
woonde. “Het was een zoete inval. Ik ben nu hartstikke gelukkig maar dat was ik in dat vroegere huwelijk niet, dus ik liet maar mensen langskomen om te babbelen. Kon ook, het was een enorm groot huis.”

Het appartement van zijn huidige vrouw Edith, waar de Dichter des Vaderlands nu woont, biedt minder ruimte. De meeste van zijn boeken staan elders opgeslagen. Langs het kozijn van zijn uitzicht op de Amstel hangen verrekijkers. U woont mooi.
“Ja, dank je.”
Edith: “Maar straks gaan we weer naar onze tuin bij het Vliegenbos in Noord, en daar blijven we de hele zomer.”
Simon: “Zonder stroom en dat soort dingen. Een paar zonnepanelen voor een lichtje ’s avonds om een boek te kunnen lezen.”

Is de stad veranderd?
“Nou, het is wat groter geworden.”

Killer geworden?
“Het is natuurlijk het bombardement van de reclame dat mensen tot consument heeft gemaakt. Je moet dit en je moet dat, en ‘koop nu, betaal later’. Mensen hebben zich in de schulden gestoken en zijn meer op uiterlijk vertoon gefixeerd, nieuwe modes, automerken, de televisie werd groter, d’r moesten meer apparaten in huis komen. Het is allemaal consumentisme geworden. Jongeren kampen daar ook mee, het is voor jongeren verwarrender om een keuze te maken. Er is ontzettend veel afleiding. In de tijd dat ik met mijn vrienden optrok en iets deed, was er geen televisie, je luisterde nauwelijks naar de radio en met de actualiteit had je minder te maken dan met je eigen creativiteit. Er viel ook veel in te halen. Nederland liep enorm achter, je moest toch een eind maken aan allerlei soorten provincialisme. Nederland was in de jaren vijftig nog niet de nieuwe tijd binnengekomen, een eiland geweest.
Voor mij staat creativiteit voorop. Aan de andere kant lees je dat het aantal managers van honderdduizend naar driehonderdduizend is geklommen… tja, wat deden die mensen voor die tijd. Toch is Amsterdam nog steeds het magies centrum, vooral wat betreft vooruitstrevende avant garde, kleine groepjes, theatertjes. Het aantal buurttheatertjes waar echt leuke dingen gebeuren is enorm toegenomen. Ik kan me herinneren dat er strijd gevoerd is om Paradiso, een kerk die poptempel werd, en om Melkweg, een voormalige melkfabriek. Toen heb ik al gezegd, elke buurt zou zo’n centrum moeten hebben. Nou, dat is nu bijna zo. Je hebt het Ostadetheater, Pleintheater, ga zo maar door.
Eens in de maand is er een dichtersavond in Festina Lente, een café aan de Looiersgracht. Daar komen dan twaalf dichters op af, die hun beste voetje voorzetten. Ik ben een van de drie juryleden. Via een afvalrace blijft de beste over, en dat is heel gezellig. Stampvol café, muisstil als er voorgedragen wordt. De grande finale is dit jaar op Hemelvaartsdag.”

De cirkel is rond, Festina Lente heette vroeger Bohemia, het jazzcafé waar de jonge Simon Vinkenoog in de jaren vijftig een van zijn voorbeelden ontmoette: “Daar heb ik Allan Ginsberg ontmoet, ja. De naam Bohemia is mooi want ik leef niet als een bohémien maar je kunt wel de gedachtewereld hebben van een bohémien.”

Heimwee naar de jaren vijftig, de beat generation?
“Nee, als ik in het verleden zou leven dan zou ik er ouder uitzien. Ik bedoel, ik zie er jonger uit dan mijn 75, zegt men. Dat is omdat ik nog in het volle leven sta, ja (Edith knikt: ‘Hij weet alle nieuwtjes, ook uit de regionale kranten’). Ik zou me geen ander leven kunnen indenken. Het is de nieuwsgierigheid die me drijft, en wat er zoal gebeurt in het leven, elke dag weer iets anders.”

Ook een voorwaarde om Dichter des Vaderlands te kunnen zijn, dat je in het hier en nu staat?
“Absoluut ja. Dit is voor een jaar, omdat Gerrit Komrij er tabak van had, zoals hij zelf zei. Maar ik ben ervan overtuigd dat ik ook mee ga doen, als het in december weer zover is, met de officiële verkiezingen. Ik hoop er nog vijf jaar aan bij te plakken.”

Toch niet het gevoel dat het typerend is voor onze tijd dat zo’n ouwe dichter uit de hippe jaren vijftig en zestig het vaandel moet dragen?
“Ja (lachend), en dat mag best.”

Voelt u zich ook beetje dichter van de hoofdstad?
Ik ben universeel dichter, kosmisch dichter. Ja, ik heb wel eens een gedicht voor Amsterdam geschreven (pakt een dun, geniet boekje met de titel ‘O Amsterdam, Ik heb je zo lief!’). Dit verscheen ter gelegenheid van de boekenmarkt van vorig jaar. Maar als Dichter des Vaderlands heb ik ook al een gedicht voor Amsterdam gemaakt, op verzoek van AT5. Dat mag u afdrukken, dat zou ik nog wel het leukste vinden.”

Je ster gaat weer stralen, Am * dam
        de magie gaat weer werken, Am * dam
het voorjaar komt nader, Am * dam
        je wordt weer verliefd, Am * dam
je gaat je vrijer bewegen, Am * dam
        er kan weer gelachen worden, Am * dam

je gaat weer mensen, en jezelf, bekijken, Am * dam 
        wat ben je foeilelijk lieflelijk mooi, Am * dam
wat is er nou niet op je aan te merken, Am * dam 
        maar ik hou van je, Am * dam
wat er ook gebeurt, Am * dam
        zes meter onder water, Am * dam

zwemmen of verzuipen, Am * dam 
        geen paniek, Am * dam
laat niet met je sollen, Am * dam 
        ik hou van je, Am * damen
en dat zal ik blijven doen, Am * dam 
        van je houden, Am * dam

(drukt zijn laatste Gauloise zonder filter van dit gesprek uit)

Rookt u ook nog andere dingen?
“Nog steeds marihuana, ja. Al een tijd geen mescaline of lsd.”

Wat vindt u van die nederwiet, die is nogal zwaar. Het kabinet overweegt coffeeshops te sluiten en cannabis te verbieden.
“Ach, ik ben gewend aan zwaar. Ik rook al sinds 1952. Het is niet meer weg te denken, maar als ze coffeeshops gaan sluiten, dan krijg je weer de straat- en de huisdealers en dan zijn we verder van huis, zal ik maar zeggen.”

 

(1) De Week van Amsterdam, kortweg De Week, was een idee van Erik de Vlieger, eigenaar van Imca Media, het bedrijf dat Weekmedia van Het Parool/Weekmedia overnam nadat Het Parool onderdak had gevonden bij de Vlaamse Persgroep van mediamagnaat Christiaan van Thillo. De Week bestond grotendeels uit artikelen die eerder in de verschillende edities van het Amsterdams Stadsblad hadden gestaan. Het was dus een soort ‘best of’, met soms ook wat uniek materiaal zoals dit interview met Simon Vinkenoog, dat in mijn herinnering alleen in De Week heeft gestaan. Collega redactiechef en eindredacteur Eric Fokke en ondergetekende stelden het blad samen. Hoewel in feite een knipselkrant hoopte De Vlieger er geld mee te verdienen; anders dan het Stadsblad was De Week niet gratis. Het experiment liep op niets uit. Het portret bij dit artikel is van Hilco Koke (†), die ook voor MUG Magazine fotografeerde.

Naschrift: Bohemia in de Jordaan heb ik nooit gekend, wel het gelijknamige jazzcafé in de Nieuwmarkt. Ik hecht eraan dit op te merken, opdat lezers van mijn generatie niet denken dat Vinkenoog of ondergetekende zich vergiste. In het pand aan de Looiersgracht waar poëziecafé Festina Lente is gevestigd bevond zich in de vorige eeuw ooit een jazzcafé Bohemia, waar onder velen ook Chet Baker jamde. JPL

Bashing Bashir en de BBC

Ruim 25 jaar na dato gaat de BBC door het stof. Zelfs hier te lande, aan de andere kant van de Noordzee buitelen serieuze media over elkaar heen om hét nieuws te brengen dat BBC-journalist Martin Bashir in 1995 onder valse voorwendselen Lady Diana tot zijn spraakmakende, wereldschokkende interview met haar zou hebben verleid. Komt dat even mooi uit. Net als bij ons hebben ook in Engeland rechts-populisten het al langer op de ‘linkse’ kwaliteitsmedia gemunt. Vooral de publieke opinie omroep moet het ontgelden. Wat een heerlijk cadeau: de BBC framen als ‘de moordenaar’ van de onder het gewone volk nog altijd immens populaire sprookjesprinses Lady Di. 

Het gaat om weinig minder dan moord, zo beklemtonen opvallend veel berichten in de Nederlandse online- en gedrukte nieuwsmedia. Ze halen gretig Diana’s zoons William en Harry aan, die menen dat het BBC-interview aan de wieg stond van een psychische lijdensweg die in 1979 culmineerde in Diana’s overlijden. RTL Nieuws citeert prins Harry, die stelt dat een ‘cultuur van uitbuiting en onethische praktijken’ zijn moeder uiteindelijk het leven heeft gekost. William meent ‘dat het bedrog van de BBC heeft bijgedragen aan de gevoelens van angst en paranoia die zijn moeder Diana, die in 1997 overleed, had’, aldus RTL Nieuws.  De oudste van de twee broers vindt dat Diana slachtoffer is geworden van ‘een malafide verslaggever’ en van ‘falende BBC-bazen die de andere kant op keken’.

Met verbijstering nam ik in het pinksterweekend kennis van het gebrek aan journalistieke collegialiteit en gevoel voor zelfbehoud van de vaderlandse pers. Die houding zal de journalistiek nog opbreken,  want ook hier klinkt de roep om het aanpakken van journalisten almaar luider. Dat hinderde RTL Nieuws niet om statements te maken als: ‘De geruchten over het misleiden van Diana waren er al vrij lang, zei NOS-correspondent Tim de Wit op NPO Radio 1. BBC-directeur Tim Davie besloot daarom bij zijn aantreden het onderzoek in te stellen. “Nu het bedrog definitief boven water is gekomen, voelt de BBC zich gedwongen excuses aan te bieden.”’ Wie dat laatste heeft gezegd, is niet duidelijk: NPO-correspondent Tim de Wit of BBC-baas Davie? De onderliggende boodschap van het citaat is des te duidelijker: de BBC geeft pas toe na aanhoudende geruchten en ziet zich pas gedwongen excuses te maken nu daar geen ontkomen meer aan is.

NRC Handelsblad ontkracht dat laatste in een artikel op zaterdag 22 mei. De krant schrijft onder meer dat Martin Bashir al veel eerder zijn excuses heeft aangeboden: “Ik bood toen excuses aan en ik doe het nu weer voor het feit dat ik bankafschriften liet vervalsen. Het was een stomme actie waar ik ten zeerste spijt van heb”, citeert NRC de sinds kort voormalige BBC-journalist, een citaat dat ik nergens anders in de Nederlandse pers ben tegengekomen. Ook laat de krant Bashir zeggen dat de bankafschriften geen invloed hadden op het besluit van Diana om hem het interview te gunnen. NRC: ‘De BBC heeft een handgeschreven notitie van Diana waarin zij dat bevestigt. Het interne onderzoek in de jaren negentig nam met die lezing genoegen.’

Ook RTL Nieuws en diverse andere nieuwsmedia zoals Trouw en het AD gunnen Bashir op 23 mei enig weerwoord, meestal een artikel in The Sunday Times aanhalend. Daarin betuigt de journalist spijt van zijn truc om Diana voor zijn microfoon te krijgen maar ‘beklemtoont dat hij Lady Di nooit pijn heeft willen doen en dat volgens hem ook niet gedaan heeft’, aldus vertaald door RTL. Het nieuwsbericht vervolgt: ‘”De suggestie dat ik alleen verantwoordelijk ben is onredelijk en oneerlijk”, zegt Martin. Hij beklemtoont dat Diana alle voorwaarden stelde voor het gesprek en dat zij zich naderhand nooit heeft beklaagd over de uitzending.’  AD voegt toe dat Bashir in The Sunday Times aanstipt ‘dat er vele zaken gaande waren in het getroebleerde leven van Diana.’ En dat het interview op haar voorwaarden plaatsvond. ‘Ze had nadien ook geen klachten over de inhoud ervan en bleven goede vrienden’, aldus het AD.

De BBC was zeker niet de hoofdschuldige

Dat Diana Spencer’s zonen William en Harry graag een zondebok willen voor hun persoonlijke verdriet mag te begrijpen zijn, evenals het feit dat ze daar de BBC en Martin Bashir voor hebben uitgekozen. Maar het is opvallend hoe vrijwel alle media de toedracht van Diana’s tragische overlijden onbesproken laten. Een kwart eeuw is een lange tijd. Zelfs menig royalty-fan en trouw entertainment-consument zal niet paraat hebben dat ze in een Parijse autotunnel om het leven kwam terwijl zij en haar nieuwe partner Dodi Fayed door paparazzi achterna werden gezeten. De eveneens verongelukte chauffeur zou te veel hebben gedronken en al racend door de tunnel zijn macht over het stuur zijn kwijtgeraakt. De bewering dat BBC’s sterinterviewer Martin Bashir prinses Diana’s dood op zijn geweten heeft, kan met meer recht worden vervangen door de stelling dat de roddelpers indirect verantwoordelijk was voor het ongeluk dat drie mensen het leven kostte.

De roddel- en entertainment-pers kon geen genoeg krijgen van de sprookjesprinses die het zo slecht had getroffen met die halfgare prins Charles, product van een sadistische adelijke opvoeding, die nauwelijks een geheim maakte van zijn affaire met zijn jeugdliefde Camilla Parker Bowles. De kwaliteitspers en zeker het meer progressieve smaldeel was in de jaren negentig lang niet zo geobsedeerd door de levenswandel van prinsen en prinsesjes. Al was het slechte huwelijk van de mogelijk aanstaande koning en koningin van Groot-Brittannië natuurlijk ook nieuws voor de serieuze media, dito het tragische ongeluk met Diana Spencer. 

Ook nu speelt de – in het algemeen niet van linkse of progressieve sympathieën getuigende – roddelpers gretig zijn rol, maar nu vooral in zijn aanval op de ‘linkse’ concurrentie. De Volkskrant analyseert op tweede pinksterdag terecht: ‘De neiging van de BBC om in de verdediging te schieten, is niet verwonderlijk omdat de omroep permanent onder vuur ligt van de rechtse pers.’ Maar, zo gaat de krant verder: ‘Toch zou het al te makkelijk zijn om de huidige crisis toe te schrijven aan de vijandigheid van Rupert Murdoch en andere persbaronnen die inderdaad eigen agenda’s en belangen hebben. Een veelgehoord verwijt is dat de omroep het zicht is kwijtgeraakt op de principes van oprichter John Reith: informeer, onderwijs en amuseer het het volk.’ Schrijver Patrick van IJzendoorn noemt enkele onsmakelijke affaires die de BBC de afgelopen tijd in zwaar weer brachten en concludeert dat de omroep nog maar een blunder verwijderd is van de ondergang. Reken maar dat de zeer conservatieve Murdoch en zijn imperium klaar staan om Aunti Beeb (koosnaam voor de BBC) een definitieve doodschop te geven, daarin aangemoedigd door de extreem-rechtse British National Party, de Conservative Party (Tories) en alles daartussenin.

Barbertje moet hangen

Hoe fout waren de BBC en dan vooral Martin Bashir eigenlijk in de Diana-zaak? Bashir liet Diana’s broer vervalste betalingsbewijzen zien van het door koninklijk personeel verpatsen van informatie aan tabloids. Volgens het recent afgesloten onderzoek loog Bashir tegen zijn werkgever over het tonen van deze vervalste documenten. Zijn gedrag wordt daarom ‘ongelooflijk, onbetrouwbaar en in sommige gevallen oneerlijk’ genoemd. De journalist en de omroep hebben inmiddels toegegeven dat achter het interview in 1995 bedrog schuilging en hebben daar nu dus ook hun excuses voor aangeboden, volgens Bashir niet voor de eerste keer. Maar de zaak heeft een keerzijde die niet onbelicht mag blijven, zonder Bashir daarmee helemaal vrij te pleiten.

We hebben het hier over een van de rijkste families ter wereld, die haar mediaoptredens doorgaans zeer strak regisseert. Dat het Britse volk deze familie en haar immense rijkdom in stand houdt, wil niet zeggen dat de familie zich in ruil makkelijk door het volk laat controleren. Dat is al een groot verschil met de BBC, die in beginsel iedere subsidiecent moet verantwoorden. Diana Spencer – toen nog prinses van Wales en gedoodverfd toekomstig koningin – doorbrak in haar uppie een bijna heilige familiecode door haar ziel en zaligheid bij de BBC op tafel te leggen. 

Martin Bashir stelt dat hem dat ook zonder gesjoemel met papieren was gelukt. We kunnen het Lady Di niet vragen, maar ook al is Bashirs bewering waar, dan nog blijft de vraag ‘hoe ver mag je als journalist gaan om iets boven water te krijgen?’ Ging het hier alleen om roddel, achterklap en plat amusement, dan zijn we snel uitgepraat. Het ging echter om het toekomstige koningspaar, dat net als bij ons niet wordt gekozen en afgerekend maar in een met veel glitter en goud opgetuigd wiegje heeft gelegen of de pure mazzel had door een of andere ‘hoogheid’ tijdens een polowedstrijdje te zijn opgemerkt. 

Noblesse oblige geldt niet alleen voor journalisten die geacht worden zich aan hun beroepscode te houden. Ook aan het goudgerande leventje van prinsen en prinsesjes kleven verplichtingen, zo niet wettelijk verankerd dan toch algemeen zo aanvaard. Het volk wil minimaal weten wie ‘boven hen is gesteld’ en wie de volgende in successie zijn. Begin jaren ’90 was er, overigens mede dankzij de roddelpers, geen ontkomen meer aan dat de immens populaire Diana waarschijnlijk toch geen koningin zou worden. Haar huwelijk met kroonprins Charles stond op instorten, zo viel al enige tijd niet meer te ontkennen. Dat de BBC als serieuze nieuwszender meedeed met de publieksquiz ‘wie wordt onze volgende koningin?’ is vanuit journalistiek standpunt logisch. Dit ging om iets meer dan de kleur van Lady Di’s jurkje of het aantal diamanten in haar tiara, dit raakte Engeland’s publieke belang. De BBC had in dat opzicht een naam hoog te houden. De omroep was ook toen al veel meer een journalistieke durfal dan pakweg de NOS, waar ‘onze’ koninklijke familie doorgaans geen kind aan heeft. 

Martin Bashir is ver gegaan in zijn, op dat moment door hem nodig geachte methode om de waarheid boven water te krijgen. Te ver, zo luidt nu de veroordeling. Ik moet echter aan Günter Wallraff denken, die eind jaren ’70 school maakte als undercover-journalist. Ook hem viel de beschuldiging ten deel van onethisch handelen en zelfs van plagiaat en vervalsing. Voor dat laatste is hij nooit veroordeeld. Ik had de eer Wallraff in de jaren ’90 bij hem thuis in Keulen te spreken. Mij staat nog altijd een man bij die meer op resultaat gericht was dan op de vraag of men hem wel aardig vond. Hadden we toen al gehoord van de wijze waarop Bashir zijn interview met Diana had voorbereid, dan had ik hem daar zeker naar gevraagd. Ik vermoed dat Günter Wallraff wel enige gelijkenis zou zien tussen Bashir en zijn eigen modus operandi als journalist die de grenzen van het betamelijke opzoekt. Soms moet je nu eenmaal ver gaan om de onderste steen boven te krijgen. Zie ook een onderzoeksjournalist als Jeroen van Bergeijk.

Vakbroeders doen er verstandig aan hun collega’s niet zo kort door de bocht af te vallen als tijdens afgelopen pinksterweekend Bashir ten deel is gevallen. Kritisch zijn op het eigen functioneren is noodzakelijk maar het simpelweg nawauwelen van wat persberichten, met buiten de context geplaatste beschuldigingen aan het adres van Bashir en zijn BBC is slechts koren op de molen van lieden die een onafhankelijke pers toch al weinig goeds toewensen. Bashing Bashir wordt zo een te simpel Barbertje moet hangen met mogelijk nare gevolgen, en dan speel ik hier niet eens de ‘woke-kaart’ onder verwijzing naar Martin Bashir’s huidskleur.

Tandeloze buddyjournalistiek

Journalist Thomas Kirchner volgt Nederland voor de Süddeutsche Zeitung. In gesprek met Volkskrant-collega Sterre Lindhout verbaast hij zich over de passieve houding van de Nederlandse media. Het interview verscheen kort (zaterdag 1 mei 2021) na het ‘notulendebat’ en de bekendmaking van informateur Tjeenk Willink dat de meeste partijen VVD-leider Mark Rutte niet uitsluiten als premier in een volgend kabinet. Kirchner‘s mediakritiek is extra interessant omdat hij de Belgische uitgevers van de Nederlandse pers erbij haalt, zij het halfslachtig. Wat is hun rol in deze? Zou die rol niet beter door de overheid kunnen worden opgepakt, in elk geval deels.

Kirchner is verbijsterd over het feit dat het met Rutte nog steeds niet gedaan is, na het ‘Omtzigt functie elders’. De VVD-voorman en demissionair premier overleefde de debatten over zijn gejok en gedraai, inclusief het laatste over de ‘geheime’ notulen van een ministerraad waarin dissidente Kamerleden, onder wie CDA’er Pieter Omtzigt, onder vuur lagen. Vooral het gebrek aan publieke verontwaardiging trof de Duitse buitenlandverslaggever: ‘Wat daar gebeurde druist volgens mij in tegen politieke en morele wetten.’

Aan die passiviteit van het Nederlandse publiek hebben de media bijgedragen, meent Kirchner. Die zijn volgens hem allesbehalve scherp en hij spaart daarbij de kwaliteitspers niet. ‘Ik lees dagbladen, met name de Volkskrant. Ook hier begon de verbazing in het begin van de pandemie. Na de televisietoespraak van Rutte dacht ik: moment, hoe zit het nou met die groepsimmuniteit? Maar in de Nederlandse media ging het lovend over zijn ‘presidentiële’ optreden.’ En dan heeft de criticus het nog niet eens over het NOS Journaal, als toch een van de braafste jongetjes in de klas.

Kirchner kwalificeert de vaderlandse pers als ‘tandeloze buddyjournalistiek’. Hij vraagt zich af wat de rol daarbij is van de twee ‘obscure’ Belgische families die 90% van de dagbladen in handen hebben. Die families zouden de onafhankelijkheid van de Nederlandse journalistiek in de weg staan, suggereert Kirchner. Van die opmerking zegt hij nu in de Volkskrant: ‘Het was geen goed idee dat te schrijven, om daarop te zinspelen. Dat neem ik dus terug.’ Wel houdt hij staande dat het niet oké is dat we zo weinig weten over die twee Belgische bedrijven. Saillant: ook de Volkskrant is in Vlaamse handen.

En wie wel zijn tanden laat zien…

Dat brengt mij terug naar begin deze eeuw, om precies te zijn naar het jaar 2002. Uitgeversholding PCM (o.m. de Volkskrant, Trouw, NRC, AD) wilde van de verlieslijdende dochter Het Parool/Weekmedia af. Vooral dagblad Het Parool was al vele jaren een schip van bijleg. De voorheen verzetskrant raakte sinds 1945 alleen maar abonnees kwijt, van een dikke 320.000 naar een schamele 90.000 rond de millenniumwisseling. Ook de charismatische latere BN’er Matthijs van Nieuwkerk wist als hoofdredacteur het tij niet te keren.

In 2002 zat ik in de ondernemingsraad van Het Parool/Weekmedia, namens het Amsterdams Stadsblad – dus om de belangen in de gaten te houden van onze toen nog zo’n veertig man sterke redactie, verdeeld over twee locaties (Wibautstraat en Amstelveen). De Weekmedia-bladen, met titels in en rond Amsterdam, stonden bekend als journalistiek degelijke nieuwsbladen. ‘De NRC onder huis-aan-huisbladen’, zo oordeelde Jan Blokker. Dat overigens tot frustratie van Het Parool.

In de OR kwam op een zeker moment de overname ter sprake door een Belgische uitgever, de Vlaamse Persgroep van de familie Van Thillo. Er werd al snel gefluisterd dat die alleen in Het Parool geïnteresseerd was, niet in de huis-aan-huisbladen. Ideeën om Weekmedia en Parool te integreren, tot aan één redactie aan toe, werden van meet af aan door de Parool-elite aan de kant geschoven. Dat wil zeggen, vooral de oude harde kern zag er niks in. Die haalde zijn neus op voor het Stadsblad, dat paradoxaal genoeg ook nog eens als concurrent werd gezien (een Parool-leidinggevende: “Jullie spelen dagblaadje en doen ons daarmee valse concurrentie aan.”).

De eerlijkheid gebiedt toe te geven dat ook Weekmedia zwaar weer tegemoet ging. Het internet rukte op, plus een gestaag groeiend leger van overambitieuze communicatieadviseurs bij de overheid, een belangrijke adverteerder. Deze ‘communicatiedeskundigen’ zochten wegen om hun nut te bewijzen… excuseer, om de burger te bereiken. Het internet was nog pril maar eigen folders uitgeven, tot aan eigen blaadjes was ‘in’. En zoveel leuker dan advertentiepagina’s in het Amsterdams Stadsblad kopen.

Ondertussen kwam de overname dichterbij en werden er beloftes gedaan. In geval van splitsing van Het Parool/Weekmedia zou ook de laatste nooit in handen mogen vallen van verdachte investeerders, de Amsterdamse onderwereld of vastgoed-cowboys. De naam Erik de Vlieger zoemde rond. Er zouden ook geen gedwongen ontslagen vallen. Als Weekmedia-vertegenwoordiger leidde ik, tot ergernis van sommige Parool-collega’s, de strijd om behoud van Weekmedia, liefst als onderdeel van Het Parool en zo niet, dan in elk geval als zelfstandige krant.

Als niet onverdienstelijk stadsverslaggever (NNP-winnaar) was er vanuit de Parool-directie interesse om mij in te lijven. Maar zoals gezegd, mijn opstelling in de OR werd mij niet in dank afgenomen. Zo maakte ik kennis met het begrip ‘sensibiliseren’, lang voordat CDA-parlementariër Pieter Omtzigt die eer ten deel viel. In mijn geval was het Roderik O., senior redacteur bij Het Parool en collega OR-lid. Op het kamertje van de OR-voorzitter ontboden, wachtte O. mij op en sprak: “Eén welgemeend advies. Als jij kans wilt maken om bij Het Parool op de redactie te komen, dan zou ik mijn toon maar eens flink matigen.”

Mijn toon matigen deed ik dus niet, ook niet in latere jaren. Ook niet als hoofdredacteur van MUG Magazine toen het bestuur en ondergetekende ‘een verschil van inzicht’ kregen ‘over de gewenste koers van MUG Magazine’. Een journalist die zijn vak serieus neemt, laat zich niet sensibiliseren, matigt zijn toon niet, koestert zijn soms uitgestrekte been. Zie ook de recente rel rond de facto hoofdredacteur Hélène Pronk van AT5. Een tandeloze buddyjournalist is ook zij blijkbaar niet. Dat ben ik ook nooit geweest… en zo ging de Parool-redactie aan mijn neus voorbij.

Hoe het Parool-sprookje eindigde? De nieuwe opperbaas Christian van Thillo had inderdaad geen interesse in Weekmedia. De Parool-directie verkocht snel na de overname door de Persgroep zijn nieuwsbladendochter voor zegge en schrijven €1,- aan… jawel, vastgoedcowboy Erik de Vlieger. Die toonde zich overigens een ambitieuzer en serieuzer krantenuitgever dan vooraf gedacht. Helaas miste de dagelijkse leiding van zijn Imca Mediagroep de kennis, ervaring en visie om echt iets van Erik‘s krantenavontuur te maken. Parool/Weekmedia-directeur Frits Campagne – voormalig economieredacteur – had goed ingeschat dat zijn Parool beter niet in handen van De Vlieger kon vallen. Helaas ging het desondanks met Het Parool bergafwaarts, tot op de dag van vandaag. Het aantal betalende lezers stond in 2017 op iets meer dan 41.000, een halvering ten opzichte van 2002, het jaar waarin de Belgen de zaak overnamen.

‘Obscure’ families

Of de neergang van de Nederlandse pers aan de Belgische uitgevers Mediahuis en DPG (v/h Persgroep) ligt, is de vraag. Feit is dat de betaalde oplage van alle landelijke kranten is gedaald. Vooral de grotere bladen De Telegraaf (Mediahuis) en AD (DPG) zijn in Nederland stevige verliezers. Dit is al sinds de eeuwwisseling gaande, ook in andere landen. De kwaliteitskranten lijken iets minder harde klappen te krijgen. NRC (Mediahuis) meldde in 2017 zelfs een lichte stijging van zijn betaalde oplage, al wordt dat door het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek weersproken. De SvdJ lijkt wel te bevestigen dat NRC en de Volkskrant over hun steilste val heen zijn, en dat de kleinere titels (Trouw, FD, Reformatorisch Dagblad en Nederlands Dagblad) nog enigszins stabiel blijven.

De Belgische uitgevers hebben het tij van de ontlezing niet kunnen keren. Doen ze het in hun eigen land beter? De Morgen van DPG suggereert dat. De Vlaamse krant beroept zich echter op een enquête en niet op jaarcijfers. De Morgen claimt in 2019 maar liefst 12% meer lezers te hebben bereikt, in totaal 448.500 lezers. Dat bereik realiseerde de krant met een betaalde oplage van slechts een kleine 54.000. Het Laatste Nieuws (DPG) kreeg er 11% meer lezers bij. Deze in oplage en bereik grootste krant van Vlaanderen laat dagelijks 345.000 kranten drukken. Mediahuis bezit De Standaard, dat met 83.000 betalende lezers een stuk kleiner is.

Thomas Kirchner’s suggestie dat de twee in Nederland opererende ‘obscure’ Belgische uitgeversfamilies achter DPG en Mediahuis redactioneel de touwtjes stevig in handen hebben is niet onderbouwd. Daarmee ook niet de suggestie dat deze families kritische journalistiek de mond snoeren. Terecht dat Kirchner die beschuldiging terugneemt. Er zijn wel twee min of meer objectieve feiten die zijn achterdocht voeden: de gestage daling van het aantal betalende lezers kan niet anders dan gevolgen hebben voor de journalistiek. Redacties zijn in achterliggende twee decennia gekrompen. Ook een feit is dat er minder titels zijn. Vooral de lokale pers heeft enorm te lijden gehad onder de Vlaamse overname.

Dat redacties zijn gekrompen hoeft niet per se te betekenen dat de kwaliteit minder is. Krantenbazen zullen sowieso het tegendeel beweren, ook al is die stelling op zo mogelijk nog losser zand gebouwd dan de bewering dat de Van Thillo’s en aanverwanten al te kritische journalistiek sensibiliseren. Neem Het Parool. Nieuws van buiten de stadsgrenzen komt goeddeels van de centrale AD-redactie. De Amsterdamse krant enigszins volgend springt voor mij alleen de misdaadverslaggeving er nog echt uit, dankzij coryfee Paul Vugts. Volgens het colofon telt Het Parool nog maar 22 verslaggevers, inclusief de twee redactiechefs. Ook als het over de stad zelf gaat – Het Parool is toch vooral een Amsterdamse krant – houdt de redactie zich in. Op 1 mei hing het aantal Amsterdamse nieuwsverhalen (buiten sport, kunst en amusement) rond de 10 artikelen, en dat op een zaterdag.

Altijd geldgebrek

In diezelfde zaterdag-Parool wel een artikel over het gedoe bij stadszender AT5, onder de veelzeggende kop Sterk merk, maar platzak. Mediaverslaggever Roelf Jan Duin: ‘AT5 kampt al jaren met een chronisch tekort aan geld en een groot verloop van leidinggevenden. Ondertussen moeten minder mensen met minder middelen steeds meer doen. Wie verhalen hoort van (oud-)AT5’ers verbaast zich dat er überhaupt nog dagelijks een nieuwsuitzending is.’ Wat er tussen adjunct-hoofdredacteur Hélène Pronk (hoofdredacteur van dienst omdat er al tijden geen formeel hoofd is) en directeur Alphons Mertens speelt, is onduidelijk. Wel weet Duin dat Pronk voor journalistieke kwaliteit en redactionele onafhankelijkheid staat, en dat Mertens achter de redactie om bezig is met commerciële plannen. Het klinkt schrijver dezes, voormalig directeur/hoofdredacteur van het al even arme MUG Magazine, bekend in de oren.

Wie bericht er in de tussentijd over Amsterdam? Hier wreekt zich nog een ontwikkeling als gevolg van minder geld naar de media: het aantal krantentitels krimpt in hoog tempo. Na de grote opruiming onder landelijke titels in de vorige eeuw (onder meer De Tijd, Het Vrije Volk, Nieuws van de Dag, Het Vaderland, De Waarheid) vond sedert begin deze eeuw een kaalslag plaats onder lokale kranten, vooral onder de nieuws- of huis-aan-huisbladen. De hoofdstad is inmiddels niet alleen het Amsterdams Stadsblad kwijt maar ook De Echo van Mediahuis, voorheen de Telegraaf Media Groep. Amsterdam-West heeft nog wel een huis-aan-huisblad: de Westerpost (Rodi Media). En er zijn wat kleinere spelers zoals De Brug, het Noord-Amsterdams Nieuwsblad en Bijlmer&Meer.

De Belgen bleken inderdaad niet geïnteresseerd in de lokale nieuwsvoorziening – wat overigens ook voor Het Parool, de eerste Nederlandse kant in Vlaamse handen, een slecht vooruitzicht is. Kleine nieuwsbladuitgevers als Rodi en Enter Media (in Noord-Holland) springen in het gat, zien kennelijk nog wel brood in huis-aan-huis. Hoe die kleine uitgevers het gaan doen is afwachten. Veel investeringskracht lijkt daar niet te zitten. Ook daar gaat het doorgaans om tot op het bot uitgeklede redacties. Soms wordt er geëxperimenteerd met een combinatie van gratis en betaalde inhoud. Zo kunnen inwoners van het Gooi zich abonneren op de Extra-editie van de Gooi- en Eembode (Enter Media). En dat terwijl de gemeente Hilversum nog loyaal in het lokale sufferdje adverteert. Was de gemeente Amsterdam het Amsterdams Stadsblad zo trouw gebleven, dan had Weekmedia wellicht nog bestaan.

De overheid als Belgische familie

Abonnementskranten (dagbladen) moeten het van hun lezers en adverteerders hebben. Nieuws- of huis-aan-huisbladen bestaan bij gratie van alleen de laatsten. Dat zijn bedrijven, particulieren (mini-advertenties) en overheden. Overige lokale nieuwsmedia van betekenis zoals AT5 bestaan dankzij gemeentelijke subsidie. De Amsterdamse stadszender valt onder zendgemachtigde Stichting Publieke Omroep Amsterdam (ook Salto, FunX A’dam en Concertzender). Die ontvangt jaarlijks 3,6 miljoen aan subsidie. Daarvan is 2,8 miljoen bestemd voor AT5. Te weinig, maar kranten/printmedia worden überhaupt niet door de overheid gefinancierd.

MUG Magazine wordt wel door de gemeente Amsterdam gefinancierd, maar niet via subsidie. Het blad heeft een zogenaamde ‘inkooprelatie’ met de dienst Werk & Inkomen, de sociale dienst. De waarde daarvan bedroeg de afgelopen jaren iets minder dan €200.000,- per jaar. Stichting BBU hield daarvoor – plus gemiddeld zo’n. €50.000 aan advertentie-inkomsten – een website in de lucht en bracht maandelijks het gratis MUG Magazine uit in een oplage van 32.000.

In Denemarken financiert de overheid wel printmedia. Daar draagt de staat tot 30 procent bij aan de kosten van private mediaorganisaties. In 2018 kwam dit neer op 55 miljoen euro (bron: Stimuleringsfonds voor de Media), los van de publieke omroep. Het Deense model stamt uit de achttiende eeuw, dus nog vér voor het internet. Reden: kranten werden in vroeger tijden cruciaal geacht voor het versterken van de democratie en iedere burger moet een krant kunnen kopen. De krant wordt in Denemarken gezien als publiek goed, voor iedereen betaalbaar.

Het Deense model verdient serieuze aandacht. Het gaat mij niet eens zozeer om de dagbladen maar om de journalistiek an sich. Die staat onder druk. Zonder overheidssteun wordt het moeilijk om voldoende journalisteke ‘massa’ over te houden. Kwaliteitsmedia als NRC, de Volkskrant, Trouw, De Groene Amsterdammer, FD en online-nieuwkomers als De Correspondent en Follow the Money maken dat niet goed. Zeker lokaal niet. Het lokale bestuur wordt nauwelijks nog journalistiek gecontroleerd. Lokale dagbladen, inclusief Het Parool, zijn tot op het bot uitgekleed, nieuwsbladen van enige kwaliteit à la Amsterdams Stadsblad zijn zeer zeldzaam geworden.

Subsidie is overigens niet de enige manier. Een niet-marktconforme inkooprelatie zoals MUG Magazine die heeft, kan ook. Voorwaarde is dat de redactionele onafhankelijkheid is gegarandeerd en met handtekeningen beklonken, wat bij MUG onder mijn leiding het geval was. Andere voorwaarden zijn dat deze financiering toereikend is en dat de gemeenteraad ook voor dit soort constructies zijn controlerende rol neemt.

Van uitgevers als Mediahuis en de Persgroep, ongeacht wat voor ‘obscure’ families daarachter steken, kun je weinig meer verwachten dan dat ze rendement vooropstellen. Overigens was ook het toenmalige PCM (Perscombinatie) minder idealistisch dan ze misschien leek. Directeuren/bestuurders lieten zich schaamteloos fêteren op sjieke lunches in hun dito grachtenpand en lieten zich rondrijden in peperdure lease-limo’s, ook toen het de krantenbusiness allang minder voor de wind ging door ontlezing en mismanagement. De Telegraaf was dan tenminste nog eerlijk. Daar stond geld verdienen gewoon voorop, naast – zoals kwade tongen beweren – de rechts-liberale agenda van de miljonairsfamilie Van Puijenbroek… oorspronkelijk uit Vlaanderen afkomstig.

Thomas Kirchner heeft misschien wel een punt, meer dan hij zelf doorheeft.

Met Wehkamp snel nog armer

Dit interview met journalist/schrijver Jeroen van Bergeijk verscheen in het maart-nummer (2020) van MUG Magazine. Het is mijn laatste artikel in MUG gebleken, na bijna veertien jaar hoofdredacteurschap.

Meer nog dan van de werkomstandigheden schrok Jeroen van Bergeijk van de loan shark-mentaliteit bij Wehkamp: klanten worden verleid om tegen schandalig hoge rente (14%) geld te lenen. Zij steken zich daarmee alleen nog maar verder in de schulden. Het postorderbedrijf als dubieuze bank van lening.

Waarom ga je juist bij dat soort bedrijven op onderzoek uit?
“Het gaat mij om de mensen die daar werken. Met Nederland gaat het heel goed, maar lang niet iedereen profiteert van de welvaart. Daar ben ik door gefascineerd, hoe die mensen leven en werken. Ik ben geboeid door banen aan de onderkant, waar werkenden tegen minimale beloning met allerlei eisen en regels te maken krijgen. Mensen weten weinig van die tegenstrijdigheid van extreme controle, beroerde werkomstandigheden en slechte betaling. Ik doe daar verslag van zodat consumenten weten wát zij ook kopen als ze bij Wehkamp of Bol.com bestellen.”

Het zijn vaak arbeidsmigranten, begrijp ik uit jouw reportages. Wat vond je het meest schokkend?
“Het meest schokkend bij Bol.com – en het duurde even voordat ik dat doorhad – was de manier waarop met die arbeidsmigranten wordt omgegaan. Het werk is zo ingericht dat het voor Nederlanders, in elk geval met een gezin, zo goed als onmogelijk is om er te werken. Dat begint al bij de hal, weggestopt op een ver bedrijventerrein zonder openbaar vervoer in de buurt. Absurde, wisselende werktijden, waardoor je nauwelijks aan een gezinsleven of sociaal leven toekomt. Die hele werkcultuur is daardoor aan het ‘ver-Polen’. Het is haast een Pools bedrijf geworden, compleet met Poolse gezagsverhoudingen. Dat geven ze ook gewoon toe. En als je dan naar de omstandigheden kijkt, waaronder die mensen werken en wonen, vaak in vakantieparken waar ze €100,- per week voor een kamertje in een bungalowtje of stacaravan betalen… dat is echt schandalig. Als je als Pool je baan verliest, sta je ook nog meteen op straat. En dat allemaal dankzij onze obsessie met online shoppen, dat je om vijf voor twaalf iets kan bestellen wat je de volgende dag thuis bezorgd krijgt.” 

De nieuwe economie heeft een hoge prijs?
“Ja. Er gebeurt van alles achter de schermen, wat wij niet weten.”

Stemt het jou niet cynisch dat klanten van bedrijven als Wehkamp vaak tot dezelfde groep horen als de loonslaven die er werken?
“Met cynisme heb ik niks, maar zeker Wehkamp is een verhaal apart. Zelf koop ik nog wel bij Bol.com, al vind ik dat daar zeker veel moet veranderen. Maar tegen Wehkamp heb ik morele bezwaren, vooral tegen het verdienmodel van mensen bewust de schulden injagen door ze tegen maar liefst 14% rente op afbetaling te laten kopen. Als je, zoals ik, een tijdje bij Wehkamp werkt, krijg je de hele tijd mensen aan de telefoon die zwaar in de problemen zitten. Dan zit je tussen collega’s die het nauwelijks beter hebben en waar de empathie voor die klant aan de telefoon soms ver te zoeken is. Dat gevoel kreeg ik althans. Dat er veel Polen bij Wehkamp en Bol.com werken, draagt ook niet bij tot meer begrip.”

Dus Thierry Baudet zal Bol.com en dat soort bedrijven wel boycotten, denk je niet?
“Haha, dat zul je hem moeten vragen.”

Dat was een bruggetje naar de vraag of de politiek al heeft gereageerd?
“Dat Wehkamp-verhaal lijkt wel wat los te maken. Jasper van Dijk van de SP zei in WNL op Zondag dat er nu een Kamermeerderheid is om de maximaal toegestane rente op leningen van nu nog 14% omlaag te krijgen. Hij verwees daarbij naar mijn artikel. Dat is prachtig nieuws. En de vakbond heeft een artikel uit de Volkskrant naar aanleiding van Bol.com in het Pools laten vertalen. FNV probeert daar nu leden mee te werven in dat distributiecentrum. Dat is best lastig, maar ik zou zeggen ‘als er één plek is waar het zin heeft om vakbondslid te worden dan is het in zo’n distributiecentrum’. Maar ja, de doorstroom is enorm in dat soort bedrijven.”

Jij bent zelf freelancer. Is dat bewust?
“Jazeker. Er zijn mensen die vinden dat ik ook eens over mijn eigen beroepsgroep zou moeten schrijven. Wie weet… misschien een volgend boek.”

De reportage Undercover bij Wehkamp ‘Nóg meer bijlenen? Natuurlijk, mevrouw’ stond in de Volkskrant van zaterdag 15 februari. Binnen bij Bol.com kost bij de betere boekwinkel (en bij Bol.com) €15,- en Uberleven kost €18,99. Boekwinkels zijn vaak nog wel in binnensteden te vinden en een heel enkel dorp of winkelcentrum

Eerbetoon aan Max van Weezel

Bladerend door De Journalist, het NVJ-blad, stuit ik op een stukje over Natascha van Weezel, dochter van… Ze heeft een boek geschreven ter nagedachtenis van haar in 2019 overleden vader Max. Nooit meer Fanta, heet het, met als ondertitel Het jaar dat mijn vader overleed. Ik ga het zeker lezen, want ik heb Max een beetje gekend en ook Natascha een paar keer ontmoet. Max presenteerde politiek café de Rode Werf, dat ik in 2016 in Pension Homeland voor de PvdA opzette en een paar seizoenen mocht regisseren. Een enorm succes werd het niet, zelfs niet toen Thierry Baudet zijn opwachting maakte. Dat lag zeker niet aan Max van Weezel, dankzij hem heb ik vooral mooie herinneringen aan de Rode Werf. Ik zie ons nog rokend op het terras van Pension Homeland, met uitzicht over het Oosterdok. Hij, klein mannetje, sigaar in zijn mond… ik, niet veel groter, standaard een Gauloise zonder filter. We zijn nu beiden gestopt, beiden in het voorjaar van 2019 maar onder andere omstandigheden. Ik leef nog.

Tegen NRC-journaliste Danielle Pinedo vertelde Max hoe dat ging. Hij voelde zich al een jaar lang moe. Misschien wel logisch. Hard werken en niet meer de jongste.  Van Weezel: ‘Alle artsen die ik sprak, zeiden dat ik een burn-out had. Het gekke was alleen dat mijn werk juist energie gáf. Op dagen dat ik even niets hoefde, stortte ik in.’ Ik herken dat. Ook ik frequenteerde een jaar lang mijn huisarts, sprak met een Praktijkondersteuner Huisartsenzorg (afgekort POH, zeg maar amateur-psycholoog) en zocht het hogerop bij onder andere een KNO-arts, een prostaatdokter, mijn cardioloog en een neuroloog. 

Er werd niets gevonden, behalve wat ik al wist, dat er een nieuwe aortaklep moest worden ingebouwd. Maar dat kon lang niet alle klachten verklaren. En Max? ‘Niets hielp.’ Geen rust, geen therapie en op het laatst zelfs stug doorwerken niet, lees ik in NRC. Op 11 april 2019 overleed de journalistieke workaholic Max van Weezel (geboren op 9 juli 1951) aan uitgezaaide alvleesklierkanker. Bij mij werd in april 2020 een nogal zeldzame hersenontsteking vastgesteld. Ik ben inmiddels genezen, maar herken maar te goed hoe Max zijn laatste maanden beleefde: ‘Als een achtbaankarretje dat uit de rails is gelopen.’

Alvleesklierkanker is een rotziekte, voor zover ziektes iets anders dan rot kunnen zijn. Mijn moeder is er ook aan overleden. Dat ging heel geleidelijk totdat het snel ging, zo’n half jaar na de diagnose. Van de ene op de andere dag werd ze opgenomen. Eerst op zaal aan de voorzijde van het ziekenhuis. Al na twee dagen verhuisde ze naar een donkere kamer aan de achterzijde, waar ze alleen mocht sterven. Vier lange dagen en nachten duurde dat. De laatste twee was er geen contact meer, zag ik mijn moeder alleen nog spartelen, hallucineren, bang zijn. Bang voor de dood, zo door en door goed en christelijk als ze bij leven ook was. Zoals Max antwoordt op de vraag of hij bang is voor de dood: ‘Vréselijk. Ik geloof niet in het hiernamaals. Ik geloof niet dat de geest zich vrijmaakt van het lichaam. Dit is het.’ Mijn moeder geloofde wel in het hiernamaals… en toch was ze er als de dood voor.

We hebben meer gemeen, Max en ik. Dat zeg ik in alle oprechte bescheidenheid. Beiden journalist, alleen Max vele malen succesvoller, roemrijker en beter in zijn vak dan ondergetekende. Een vakbroeder waar iemand als ik tegenop kijkt. Ook onze politieke voorkeur verschilt niet veel. Hij was ooit lid van de CPN. Voor die club was ik te vrijgevochten. Van een iets jongere generatie dan Max wantrouwde ik die communisten altijd al, maar ik heb wel een tijdje voor dagblad De Waarheid geschreven en ben SP-lid geweest in reactie op Wim Kok’s ‘derde weg’.

Max verborg zijn linkse voorkeur niet, ook al was hij politiek verslaggever en later commentator. Ik ook niet. Sterker, ik vind dat journalisten eerlijk moeten zijn over hun politieke kleur. Het is geen geheim dat ik naast mijn werk als hoofdredacteur van het Amsterdamse MUG Magazine (opnieuw) lid ben van de PvdA. Ook heb ik wel GroenLinks (daarvoor PSP en SP) gestemd. Aan mij de heilige opdracht om mijn partijpolitieke kleur buiten de kolommen van mijn blad te houden, en dat lukt mij heel aardig, vind ik zelf.

Er is nog een klein gemeenschappelijk feitje, waar ik met Max over had willen roddelen als ik mij dat feitje destijds op dat terras aan het Oosterdok, had beseft. Een van Max’ collega’s bij Vrij Nederland was Leonard Ornstein, broer van die andere journalist Karel Ornstein. Met laatstgenoemde ben ik eens zo dronken geworden – ik meen in café Middeloo of wat het De Wildeman? – dat ik met de Puch uit de bocht vloog, met Karel achterop. Weinig aan de hand. Hoop gegrinnik en Karel die tegen een garagedeur in een Santpoortse middenklassewijk ging pissen, waarop die deur openschoof en een verontwaardigde maar toch nog vriendelijk heerschap ons hielp de trapper van mijn Puch recht te slaan, zodat we verder konden. Doel was het even verderop gelegen Felisenum, waar een schoolfeest gaande was. Voor mij een brug te ver, ik ben ergens in een hoekje van een gang op dat gymnasium in slaap gesukkeld. Ach ja, bent maar één keer puber.

Terras Pension Homeland (met asbak) @JPL

Beste Max, jij geloofde niet in het hiernamaals. Ik ook niet. Dat ik jou dus nu rechtstreeks aanspreek, slaat nergens op. Toch doe ik het, in herinnering aan wat vage gesprekjes op het terras van Pension Homeland en mijmerend over gesprekken die ik met je had willen voeren. Over politiek, journalistiek, het geheim van de smid en over jouw welwillendheid jegens dat narcistische mannetje dat ten tijde van zijn optreden in de Rode Werf (juni 2016) druk doende was FvD op te richten. Het viel mij op dat je hem in het debat nogal mild bejegende. In mijn herinnering was je een stuk kritischer jegens PvdA-voorzitter Hans Spekman – terecht overigens. Ook tijdens een tweede optreden van Baudet in de Rode Werf leek je hem te sparen, in tegenstelling tot PvdA-europarlementariër Paul Tang. In het NRC-interview lees ik dat jij goed met die ‘de aardige, galante’ Baudet kon opschieten. Dat verbaast me niet echt… en toch ook weer wel.

Tegen Dionne Stax van omroep MAX (sic) bekende je, enkele maanden voor je dood en al broodmager, dat je VVD’ers en D66’ers doorgaans leukere mensen vond dan linksen. Liberalen zijn vaak hartelijker dan PvdA’ers… laat staan dan SP’ers of GroenLinksers voeg ik daar graag aan toe. Linksen zien problemen waar mensen mee kampen, liberalen zien de mensen. Zo simpel ligt het natuurlijk niet, maar ik weet wat je bedoelt. Of dat ook voor Thierry Baudet geldt, waag ik echter te betwijfelen. Een mensen-mens, zoals je die inderdaad vaker bij de VVD tegenkomt dan bij onze PvdA, zie ik niet in hem. In zijn galanterie herken ik eerder iemand met een narcistische geldingsdrang, zoals er meer de geschiedenis naar hun hand hebben proberen te zetten met soms dramatische gevolgen.

Het in memoriam in jouw Vrij Nederland van 11 april 2019 sluit af met: ‘Het joodse jongetje dat altijd naar erkenning had verlangd, werd bedolven onder de aandacht. Het deed hem zichtbaar goed.’ Dit naar aanleiding van het in ontvangst mogen nemen van de Frans Banninck Cocqpenning. Deze waardering van jouw stad Amsterdam voor je journalistieke werk moet jou absoluut goed hebben gedaan en ook de aandacht, zonder twijfel. Maar had dat ‘joodse jongetje’ er echt bij gemoeten? Jij kunt niet meer reageren, misschien kan Natascha het antwoord in jouw naam geven, misschien staat het wel ergens in Nooit meer Fanta. Misschien klopt het, was het een terechte opmerking van de VN-collega die het in memoriam schreef. Dan is jou wellicht een hoop verdriet bespaard gebleven, want de lieden die in toenemende mate van Baudet en zijn FvD gecharmeerd zijn, hebben het niet zo op ons soort, en daarmee bedoel ik niet alleen joden maar vooral ook kritische journalisten.

Dit is mijn eerbetoon aan Max van Weezel, die ik als vakbroeder heb bewonderd en als mens.

Ongehoord Links

We hebben een nieuwe omroep, voor wie zich niet gehoord voelt: Ongehoord Nederland. Wie de oplagecijfers van de vaderlandse pers een beetje kent en weleens kijkcijfers bekijkt, denkt allicht aan een linkse omroep. Als er één groep ‘ongehoord’ is, is het immers links. Kijk maar naar de cijfers: de linkse dagbladpers past qua oplage in z’n geheel in die van De Telegraaf alleen. Linkse regionale/lokale kranten zijn er amper meer, ook niet in de grote steden. En op radio/tv moet links het doen met omroepen als VPRO en Human en een bescheiden deel van de BNNVARA-programmering, naast de Grote Matthijs-show van grootverdiener Van Nieuwkerk, dito Pauw en de geld-wegsmijt-show van reislustige Floortje. Oh ja, en dan is er nog weekblad De Groene Amsterdammer (printoplage ca. 25.000) en het tot 2020 van de gemeente onafhankelijke maar marginale (op Amsterdam gerichte) MUG Magazine. Dat is het dus.

Maar helaas, Ongehoord Nederland (ON) mikt niet op links maar op ultra-rechts, tot aan lieden die het NSB-verleden van hun ouders nog altijd geen plek hebben ‘willen’ geven, zoals medeoprichter Haye van der Heyden.

De media ’is’ links

Je hoort het vaak, vooral in de zeer rechtse kringen rond rattenvangers als Thierry Baudet en Geert Wilders: ‘De media is’ (liefst in singularis, naar goed Angelsaksisch complotdenken) een links bolwerk dat het linkse wereldbeeld verspreidt, zich voor politiek correcte karretjes laat spannen en ‘de gewone man’ negeert dan wel beschimpt.

Ook al is deze kritiek van Baudet/Wilders c.s. ongefundeerd, zij is zeker niet ongevaarlijk want journalisten zijn een makkelijke prooi – al is het maar omdat ze al snel (meestal onterecht) voor intellectueel doorgaan. Bruinhemden – altijd dol op zondebokken – zien traditioneel in journalisten en zeker in intellectuelen een groot gevaar. Behalve natuurlijk als ze zich braaf aan de bruine gedachte conformeren zoals De Telegraaf in bezettingstijd (lees ook De Zwartste krant van Nederland in De Groene Amsterdammer) onder de SS’er Hakkie Holdert en nog wat collaborerende bladen/omroepen, soms al flink fout in de aanloop naar de bezetting.

Zoals neo-rechts anno nu graag over ‘negers’ grapt en vindt dat vrouwen terug achter het aanrecht moeten, hield een deel van de pers er eind jaren ’30 en in de eerste oorlogsjaren antisemitische en pro-fascistische berichtgeving op na. Een deel van het verzuilde journaille zag wel wat in de ‘Nieuwe Orde’ – niet zozeer op De Telegraaf-redactie overigens, die zich met anti-Duitse plaagstootjes juist de ergernis van de bezetter op de hals haalde. Zie ook Andere Tijden, Marcherende journalisten.

Wat is er zo eng aan journalisten? Geen groter ondermijningsrisico voor extreem-rechts dan waarheidsvinding en debat op niveau. Populisme gedijt nu eenmaal op leugen en bedrog, op wat teleurgestelde, gefrustreerde mensen willen horen, op complotten en op semi-religieuze rites en symbolen. Journalisten prikken daar, of ze nu links zijn, neutraal of zelfs old school conservatief, vaak doorheen of zetten hun publiek met argumenten aan het denken. Dat moet bestreden worden, vinden extreem-rechtse voormannen. Logisch, vanuit hun principes en streven om zich door niets en niemand in de weg te laten zitten in hun strijd om de macht.

De anti-mediahetze van populistisch rechts is niet zonder risico. Zij ondermijnt de vrije nieuwsgaring. Dat is ook precies de bedoeling van ultra-rechts. Ze maken daarbij gretig gebruik van een altijd wel latent, breed gedeeld wantrouwen jegens de journalistiek, zoals ook advocaten en politici niet de meest geliefde beroepsgroep zijn. Hele volksstammen trappen dan ook gretig in het framen van de media als volksvijand. Baudet c.s. werken zo actief mee aan het toenemende geweld jegens journalisten, en dat is precies de bedoeling. Want al zijn ‘de’ media niet links, de meeste journalisten houden hun code in ere en zien het als hun missie om de waarheid bloot te leggen en de leugen te ontmaskeren. Ontmaskering vormt een permanent risico voor politici als Wilders en Baudet, een risico dat moet worden bestreden willen ze in de buurt van de macht komen.

Tot nu hebben populisten in Europa alleen bestendig succes in landen zonder democratische traditie en zonder een lang gevestigde vrije pers. Denk aan Polen en Hongarije. Maar er is nog een omstandigheid, die ook in de VS en UK zichtbaar is: de teloorgang van de vrije pers onder druk van de markt en onder concurrentie van nieuw media-amusement waarmee gewedijverd moet worden. Ook in Nederland zijn kwaliteitsmedia (journalistiek in druk en op rtv) al decennia aan het verliezen van de Talpa’s, de streaming-diensten en de Nu.nl’s. Bestrijders van de vrije pers hebben de economische wind mee.

Vooringenomen

Zit er dan geen bron van waarheid in de kritiek dat ‘de’ media vooringenomen links zijn? Geldt dat niet op z’n minst voor een flink deel van de beroepsgroep? Er zijn studies gedaan naar het white, male middleclass karakter van de journalistiek, onder andere door de Amerikaanse mediasocioloog Herbert Schiller. De suggestie was dat de media juist de status quo in stand hielden, de eigen witte middenklasse verdedigden. Sommige van die studies lijken nu enigszins gedateerd en overtrokken, nog los van het feit dat de media niet meer een louter wit, mannelijk bolwerk zijn.

Hoewel de verhoudingen in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog wel een stuk traditioneler lagen, wees onderzoek destijds (Addy Kaiser 1985, Haagse journalistiek) uit dat het Nederlandse journaille toen al in meerderheid (driekwart) links stemde (vooral PvdA) en er duidelijk antiracistische, internationalistische, feministische en sociale privé-opvattingen op nahield… maar dat was toen. Was het ondanks white, male middleclass of juist ‘dankzij’? Het waren immers de jaren van verzet, juist in de hoger opgeleide witte middenklasse. Onderzoekers als Schiller stapten daar iets te makkelijk overheen. Hoe dan ook, de nieuwe eeuw is een stuk minder revolutionair, dito de journalistiek, ondanks een grotere variatie in afkomst (klasse, etniciteit, geslacht) binnen de beroepsgroep.

Als de kritiek dat de media vooringenomen links zijn al terecht zou zijn, ligt een eventuele verklaring niet meteen voor het oprapen, al komt de verklaring van Volkskrant-redacteur Martin Sommer (zoals aangehaald door Merijn Oudenampsen in de Volkskrant) mijns inziens aardig in de buurt: ‘Wij zijn niet meer links, wel betrokken. Die betrokkenheid keert zich tegenwoordig tegen de macht in het algemeen, de top of ‘de rijken’. Een dergelijke beroepsethiek leidt, al dan niet bewust, tot een linksig profiel, zoals bij NRC Handelsblad en het NOS Journaal.’

Ook voor veel journalisten geldt echter: ‘Wiens brood men eet, diens woord met spreekt.’ Nog maar weer even naar de werkelijkheid: echte linkse media, in de zin van verbonden aan of voortgekomen uit een linkse politieke partij of actiegroep, zijn er allang niet meer, althans niet in enige omvang. Laten we met internet-media beginnen: online is Joop.nl nogal links, als digitale loot aan de VARA-stam, de met BNN gefuseerde voormalige sociaal-democratische omroep. Maar de opiniewebsite van ‘rooie rakker’ Francisco van Jole wordt qua populariteit en bezoekersaantallen zwaar overvleugeld door zo ongeveer alle bepaald niet linkse nieuws- en opiniewebsites, inclusief TPO.nl, Dagelijksestandaard.nl, Geenstijl.nl, Dumpert.nl, Jalta.nl, Elsevier.nl, Sceptr.nl en nog een trits meer of minder (ultra)rechtse tot ronduit fascistische bral-blogs. Geenstijl neemt in dit rijtje een bijzondere positie in, als een van oorsprong satirische nieuws-website die uit de kast is gekomen als regelrechte propagandamachine van populistische partijen (van GeenPeil, Jan Roos en Bart Nijman tot FvD van Thierry Baudet). Van de landelijke nieuwswebsites staat het ‘neutrale’ Nu.nl eenzaam aan de top qua bezoekersaantallen. 

De gedrukte pers dan. Ook met NRC Handelsblad erbij komt die nog maar net boven de oplage van De Telegraaf. Er valt best iets voor te zeggen om de NRC onder de ‘linkse’ media te scharen, zoals eerder aangestipt. Niet dat NRC een linkse krant is maar het is een kwaliteitskrant, net als het FD (Financieele Dagblad) en overigens de wel duidelijk linksere Volkskrant en Trouw.

Feiten checken is linkse hobby

Het feitelijke, doorgaans goed onderzochte nieuws in kwaliteitskranten neigt nogal eens naar een linkse conclusie. Neem de constatering dat het niet goed gaat met het milieu, dat de overheid nogal wat steken laat vallen op terreinen als zorg, onderwijs en welzijn enzovoort. Maar om nu te zeggen dat ‘de’ pers links is… dat is een wel heel cynische conclusie voor wie de oplagecijfers kent. Ook online overtroeven perstitels als Telegraaf.nl, en Metro.nl (ook Telegraaf) gemakkelijk alle niet-rechtse titels bij elkaar. Daar komt nog het AD bij, in print en online, inmiddels de tweede krant van Nederland en hoewel geen onderdeel van De Telegraaf-groep nauwelijks minder populistisch.

Regionaal zijn de kaarten al nauwelijks progressiever geschud. De provincies Noord-Holland en Limburg zijn al heel lang zo goed als volledig in handen van De Telegraaf. Het Parool in hoofdstad Amsterdam dan? Toch ooit een PvdA-vriendelijke oud-verzetskrant. Die tijd is allang voorbij. De Amsterdamse stadskrant, met overigens een bescheiden oplage is bovendien inmiddels feitelijk onderdeel van het populistische AD, waarmee het veel inhoud deelt.

Oud-hoofdredacteur/directeur Jan Bonjer van het AD vond de titel ‘kwaliteitskrant’ niet iets om trots op te zijn en hinderlijk in zijn concurrentie met De Telegraaf. Het AD voer al voor de overname door De Persgroep een populistische koers, met als journalistieke hoogtepunten de jaarlijkse oliebollentest en friettest. Volgens een eigen artikel stemde de AD-lezer in 2015 vooral CDA, VVD en PVV. Subtitels van het AD zijn onder andere Rotterdams Dagblad, Haagsche Courant en Utrechts Nieuwsblad. Twee kleine onafhankelijke spelers regionaal zijn de NDC Mediagroep (Noordelijke Dagblad Combinatie) met als belangrijkste titels het Dagblad van het Noorden en de Leeuwarder Courant, en de Barneveldse Krant van BDU Uitgevers.

Illustratief voor het populistische karakter van het AD is het artikel waarin wordt gemeld dat Ongehoord Nederland ‘boos’ is op minister Arie Slob. ‘Die geeft mogelijk nieuwe omroepen een jaar langer, dus tot 31 december 2020, de tijd om leden te werven.’ ON vindt dat Slob de spelregels heeft veranderd, zo neemt het AD in de lead van het artikel klakkeloos over. ‘Een onbetrouwbare overheid’, aldus ON én een tussenkop in het AD-bericht, om pas daarna, behoorlijk achterin het artikel te melden dat de nieuwe peildatum al in juni was aangekondigd en in september in een wetsvoorstel stond vermeld. ‘Dat had Ongehoord Nederland ook kunnen weten’, zo citeert AD een woordvoerder van Slob ten slotte.

Iets vergelijkbaars als met NRC en FD als van linkse vooringenomenheid beschuldigde kwaliteitspers doet zich ook op tv voor. Niet dat NOS Journaal of EenVandaag, Nieuwsuur en NTR zo links zijn maar als je de journalistieke lat ook maar een fractie hoger legt dan Boer zoekt vrouw, Wie is de mol, voetbal of het NL-nieuws van Talpa (o.a. SBS) dan schijnt dat tegenwoordig al automatisch alleen de hogere progressieve-intellectuele echelons aan te spreken. En die moeten dan voor lief nemen dat ook het NOS Journaal sensatiezucht niet schuwt, almaar bescheidener en simplistischer wordt in bijvoorbeeld zijn buitenlandverslaggeving en complexe nieuwsonderwerpen sowieso liever niet uitwerkt. Het moet kort en bondig, zeker vergeleken bij onder andere het Vlaamse journaal (VRT), om over het gebrek aan ABN als verheffingsnorm nog maar te zwijgen

De Nederlandse publieke omroep is niet links, op Lubach en een enkele VPRO-documentaire na… en de consumentenprogramma’s Radar en Kassa, waarvan vooral de eerste, zeker voor AVROTROS-begrippen, nogal eens behoorlijk links uit de hoek kan komen, louter omdat in dat programma nu eenmaal misstanden aan de kaak worden gesteld. Radar bezondigt zich aan journalistiek.

Het lijstje omroepgemachtigden laat verder vooral rechtse clubs zien, van de EO tot PowNed en WNL (uit de GeenStijl- en Telegraaf-stal). Ook hier is het vooral ‘ongehoord links’. Radio laat een nauwelijks afwijkend nieuwslandschap zien.

De doodgezwegen meerderheid

Er is een behoorlijk gat op links, als het om journalistiek in de media gaat – amusement en cultuur (of gebrek daaraan) niet eens meegerekend. Ongehoord Nederland wil echter absoluut niet links zijn. Integendeel, een van de oprichters lonkt openlijk met het NSB-verleden van zijn vader. Haye van der Heyden hoopte dus dat ook Holocaust-ontkenners bij ON terecht konden. Een brug te ver, vond Arnold Karskens en dus verdween Van der Heyden van het toneel. Maar met hem is het bruin nog lang niet van ON afgeveegd. Wat te zeggen van alt-right scribent Joost Niemöller (na een carrière als freelancer voor ‘linkse’ media, tegenwoordig blogger voor De Dagelijkse Standaard en prominent twitteraar, die meent: ‘Bij Joden zie je, die zitten hoog in de boom, bijna overal.’ Niemöller laat zich inspireren door Kevin MacDonald, ‘intellectueel’ van neo-nazi’s. De zelfverklaarde racist Niemöller vreest ook rassenvermenging en vindt de Holocaust-ontkenner David Irving ‘de beste historicus over WO II’. Zo onverwacht is het gelonk van Van der Heyden en Niemöller met het nazi-gedachtengoed niet; ze zijn er de hedendaagse tovenaarsleerlingen van.

Vertegenwoordigt ON werkelijk het ‘ongehoorde Nederland’, de zwijgende meerderheid? Welnee, het aantal Nederlanders dat serieus twijfelt aan hoe fout het nazisme was is ongehoord klein, een sneue minderheid van rancuneuze nihilisten met een persoonlijkheidsstoornis of een onverwerkt verleden zoals wat nazaten van collaborateurs. Nederland stemt in meerderheid rechts (CDA, VVD) tot gematigd progressief (D66) maar denkt vaak links als het om concrete kwesties gaat als marktwerking in de zorg, afbraak volkshuisvesting enzovoort. Niet voor niets vermomt Geert Wilders zich soms als een politicus met een sociale agenda, hoe ongeloofwaardig ook. Ongehoord zijn vooral de Nederlanders – autochtoon én allochtoon – die zich kwaad maken over onrecht maar die zich niet langer in de linkse partijen herkennen die dat onrecht traditioneel willen aanpakken, vanwege een complex aan in de afgelopen decennia opgebouwde redenen. Als de alt-rechtse media deze groep Nederlanders al aan het woord laat, is het om het vuurtje tussen hen en links verder op te stoken.

Het laatste woord is aan Frits Abrahams in het ‘rooie’ NRC Handelsblad: ‘Eindelijk publiek omroepje spelen, eindelijk meesmullen uit die ruif waar ze, net als hun favoriete PVV, zo’n afkeer van hebben, maar waar ze maar al te graag van profiteren als de kans zich voordoet.’ Dat is een logischere motivatie om nog maar weer eens een rechtse omroep te beginnen dan het idee dat het rechtse geluid niet gehoord mag worden, wat volstrekte lariekoek is.