Ook zonder dwang verliest de taal zijn masculiene trekjes

Opgeduikeld uit het internet-archief: dit opiniestuk van mijn hand stond in de Volkskrant van 14 mei 1997. Ik schreef het uit hoofde van mijn functie als onderzoeker en woordvoerder van het landelijke Anti Discriminatie Overleg (stichting ADO), een baan die ik bekleedde van 1989 tot 1999. Maar de toon van mijn betoog is duidelijk niet formeel, eerder lichtelijk provocerend. De niet al te accurate lead van de redactie: ‘Een samenleving is even vrouw(on)vriendelijk als de taal die er wordt gesproken. Voor masculiene residuen als ‘schaamhaar’ en ‘collegaatje’ hoeven we dan ook niet bevreesd te zijn, betoogt Joop Lahaise: ze hebben allang geen betekenis meer.‘

Agnes Verbiest, hoogleraar taalkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden, signaleert dat onze taal nog steeds bol staat van de masculiene uitdrukkingen, alsof de vrouwenemancipatie aan de taal voorbij is gegaan. Verbiest maakt zich daar druk om, omdat zoals zij stelt: ‘Taal onderhuids, onopgemerkt, een voertuig kan zijn van kwalijke, seksistische gedachten.’

Die stelling behoeft enige relativering, net als sommige door Verbiest aangedragen voorbeelden. Ingevolg mag ook haar pleidooi voor een meer ‘gendergevoelig’ taalgebruik door mannen niet onbecommentarieerd blijven.

De taalkundige geeft een even duidelijk als discutabel voorbeeld van gendergevoelig taalgebruik, oftewel taalseksisme. Bij mannen spreken we van edele delen en bij vrouwen van schaamdelen. De geslachtsdelen van mannen zijn dus edel, terwijl vrouwen zich voor hun vrouwelijkheid moeten schamen. Correct is dat de morfologie van deze termen duidt op een verleden, waarin zich deze aanduidingen hebben ontwikkeld, die even puriteins als seksistisch was. Maar gelden edele en schaamdelen ook voor de hedendaagse taalgebruiker als seksistisch?

De connotatie (gevoelsbetekenis) van schaamdelen is mijns inziens niet negatiever of minderwaardiger dan die van edele delen. Navraag bij vrouwen in mijn omgeving levert geen enkel ‘gevoel van schaamte’ op bij het noemen van schaamdelen. De seksuele revolutie van de jaren zestig is aan hen tenminste niet voorbijgegaan.

Wellicht zouden vrouwen die zich willen verzetten tegen elke suggestie van schaamte als het om hun sekse gaat in het vervolg zelf hun delen als edel moeten omschrijven. Er komt zo een geuzenterm bij, die afhankelijk van niet te voorspellen omstandigheden algemeen wordt of voorbehouden blijft aan een kleine groep onbegrepen revolutionairen. Ik denk bij dat laatste scenario aan sektarisch geworden begrippen als bevrouwen en bemensen, in plaats van bemannen.

Verbiest’s betoog dat het van bovenaf ‘demasculiniseren’ geen zin heeft, lijkt door louter verstand ingegeven. Daarom en vanwege de eerste constatering bevreemdt het dat Verbiest er een defensief argument voor geeft: het zou alleen maar averechts werken. Betekent dit dat zij diep in haar hart wel anders zou willen?

Ze stelt inderdaad dat mannen ‘gendergevoeliger’ zullen moeten gaan formuleren. Van wie moeten ze dat? Van het feminisme, of onder druk van hun seksegenoten en de vrouwen in hun eigen directe omgeving. Mij lijkt het laatste veel effectiever en waardevoller.

Taal verandert onder invloed van de directe omgeving en slechts met moeite onder opgelegde druk. Dat laatste is alleen voorbehouden aan degenen die directe of indirecte controle uitoefenen op de media, het onderwijs en andere terreinen waar ideologisch taalgebruik effectief kan worden gereproduceerd.

Door instituties opgelegde taalveranderingen zijn bovendien nauwelijks effectief wanneer ze emotioneel beladen zijn, zoals de relatie man-vrouw nu eenmaal is. Een voorbeeld uit een ander gebied is het opgelegde gebruik van de term allochtoon, inmiddels voor veel taalgebruikers (inclusief de allochtonen zelf) even negatief beladen als gastarbeider of buitenlander. Evenzo trapt geen uitkeringsgerechtigde of ziekenfondsverzekerde in het eufemistische ‘ombuiging’ waar een ordinaire bezuiniging bedoeld wordt.

De constatering dat taalgebruik zich moeilijker laat controleren dan sommige wetenschappers wensen, neemt niet weg dat taal een voertuig kan zijn voor de reproductie van ideologie, of in de woorden van Verbiest ‘een voertuig van kwalijke, seksistische gedachten.’ Die erkenning stelt echter niets voor zolang taalgebruikers niet zelf – al dan niet op het spoor gezet door wetenschappers, feministen, antiracisten en andere trendsetters – ontdekken dat het voertuig hen niet langer kan dienen.

Dat op het spoor zetten gebeurt mijns inziens effectiever door discussie over gebruik en inhoud van bepaalde termen, en meer in het algemeen door het kweken van taalgevoeligheid, dan door opgelegde ‘gendergevoeligheid’ via het op politiek correcte wijze verbannen van masculiene of van mijn part ronduit vrouwonvriendelijke woorden en uitdrukkingen. Van boven opgelegde taalveranderingen kunnen, zoals Verbiest aangeeft, gemakkelijk weerstand oproepen en kunnen even gemakkelijk leiden tot een betekenisverandering (vooral connotatieverandering) in ongewenste richting, zoals in het geval van allochtoon.

Een belangrijker, niet defensief argument tegen ‘demasculinisering’ van bovenaf is dat taal in sterkere mate door de maatschappelijke werkelijkheid wordt beïnvloed dan omgekeerd, en dat die werkelijkheid zich op dit moment nog onverminderd in het voordeel van de vrouw ontwikkelt.

De resultaten van deze ontwikkeling zijn misschien niet opvallend zichtbaar in het verdwijnen van gendergevoelige (lees: vrouwonvriendelijke, beledigende, denigrerende) begrippen als wijffie en collegaatje, maar vooral in betekenisveranderingen op zowel connotatief als denotatief niveau. Met directeur, chauffeur, hoofdredacteur, journalist, enzovoorts kunnen we zonder probleem of misverstand ook vrouwen aanduiden. De keuze voor een vrouwelijke of mannelijke uitgang is tamelijk willekeurig, nauwelijks nog onderworpen aan traditionele rolverdeling (alleen mannen in leidinggevende posities) en volgt vooral de ‘actuele gebruikssituatie’.

Voorbeelden: ‘mijn echtgenote is journalist’ versus ‘als redactrice voel ik mij meer betrokken bij vrouwenaangelegenheden dan mijn mannelijke collega’s.’ Weinig mensen zullen een van beide zinnen ervaren als ondeugdelijk of ideologisch beladen – hetzij politiek correct, hetzij seksistisch. Als positief voorbeeld van ‘gendergevoelige’ taalverandering hecht ik daar meer waarde aan dan aan schaamhaar als verwerpelijk voorbeeld van vrouwonvriendelijk taalgebruik.

Verbiest’s inspanningen blijven verdacht zolang er de geur omheen hangt van politiek correcte dwang, ook al is die nog zo indirect of subtiel verpakt.

‘Joop Lahaise is neerlandicus en media-onderzoeker’, aldus het onderschrift.