KLaagzang van binnenstadbewoners

kdagamsterdam

Tomas Roels en Lévi Smulders zijn respectievelijk jurist en stadsgeograaf. In de Volkskrant van 5 juli 2017 halen zij uit naar de ‘klagende minderheid’, die de ‘kunst, cultuur en horeca de nek omdraait’. Vooral in Utrecht, zo stellen de auteurs, domineert de ‘zoveelste klaagzang van binnenstadbewoners van middelbare leeftijd’. Zeker gezien de beroepsachtergrond van beide auteurs roept ‘hun klaagzang’ bij ondergetekende, voormalige binnenstadbewoner te Amsterdam (Roels is inmiddels ook ex-binnenstadbewoner)  de nodige vraagtekens op.

‘Keer op keer worden kunst, cultuur en horeca de nek omgedraaid onder druk van de klagende minderheid’, schrijven Roels en Smulders. Om te beginnen is de opsomming bijzonder en helaas veelzeggend: kunst en cultuur worden hier op één hoop gesmeten met horeca. Dat horeca kan worden gezien als cultuur, nou vooruit. De bruine kroeg, het oer-Amsterdamse volkscafé, de hipster-tent: dat zijn inderdaad uitingen van West-Europese cultuur. Maar juist de verzameling die Roels en Smulders aanleggen, legt het probleem pijnlijk bloot: amusement en in het bijzonder snoeiharde feestmuziek in de vorm van elektronische dance/disco wordt hier als kunst gepresenteerd, in het kielzog waarvan ook de horeca gemakshalve als kwetsbare ‘kunst en cultuur’ wordt opgevoerd. Grotere onzin heb ik zelden gelezen. Dat de horeca de nek wordt omgedraaid, is niet vol te houden. Nooit eerder was er zo’n explosieve toename van zowel het aantal etablissementen en tappunten op festivals als hun omzet. Gemeentelijke overheden – de grote steden voorop en binnen die groep Amsterdam en Utrecht op pole position – geven de horeca ook alle ruimte: van terrassen op bruggen en pleinen, en zelfs in de smalste woonstraatjes, tot in Amsterdam bijna dagelijks een evenement in de openbare ruimte.

Als voorbeeld van repressie noemen auteurs de geluidsnormen die sommige podia opgelegd krijgen. Ondertussen is de realiteit dat vrijwel alle moderne poppodia en dance-gelegenheden oordopjes ter beschikking stellen, in de erkenning van het feit dat zij hun publiek blootstellen aan een geluidsniveau dat gemakkelijk gehoorschade veroorzaakt. De versterkers een paar tandjes lager is blijkbaar geen optie. Ook hierin speelt de gemeentelijke overheid vaak een op z’n minst halfhartige rol. Terwijl landelijke instanties waarschuwen tegen gehoorschade als gevolg van te harde muziek, vaart bijvoorbeeld de gemeentelijke paradeboot tijdens de jaarlijkse Canal Parade – overigens een evenement om trots op te zijn, al houdt wat mij betreft ieder het recht om daar iets genuanceerder over te denken – met zelden minder dan 110 decibel door de Amsterdamse grachten.  In Utrecht, de stad waar Roels en Smulders hun pijlen op richten, zal die ambivalente houding van de gemeente nauwelijks anders zijn, want het omarmen van openbaar feestkabaal is allang niet meer aan party-city Amsterdam voorbehouden.

‘Dictaturen kenmerken zich vaak door stilte, individuele expressie in het openbaar wordt niet getolereerd, wie zich daaraan bezondigt loopt grote kans geruisloos te verdwijnen’, schrijven Roels en Smulders, met gevoel voor dramatiek. Geruisloos verdwijnen doen feestgangers in Nederland niet, bij mijn beste weten. Integendeel, na afloop van de housebeat en discodreun wacht binnenstadbewoners doorgaans nog vele uren van schreeuwende, rotzooi achterlatende en niet zelden vechtende en vernielingen aanrichtende feestgangers… als ze al verdwijnen. Een van de redenen voor ondergetekende om het centrum van Amsterdam vaarwel te zeggen was dat de ‘evenementen’ meestal in de vorm van ‘individuele expressie’ op sloepen, bierfietsen of gewoon lallend in groepjes op straat worden voortgezet en ook op dagen dat er niets is georganiseerd wordt nagevolgd. Of zoals een binnenstadbewoner enkele jaren geleden al eens verzuchtte: ‘Het is tegenwoordig elke dag Koninginnedag.’

Het meest schrijnende is natuurlijk dat wie zich tegen het lawaaigeweld probeert te verzetten door Roels en Smulders met zo veel woorden als ‘ouwe zeikerd’ en dictatoriaal wordt weggezet. Los van de volstrekte onzinnigheid van de argumentatie – ik zie juist massa-optochten met stevige marsmuziek als ik aan dictaturen denk en zie overeenkomsten met de op monotone dancedreunen hossende massa’s in ons liberale Nederland – is zij ronduit schofferend en in zich zelf dictatoriaal. Wie gek wordt van de ongevraagde lawaaiterreur – over smaak en zelfs de bewezen extra belasting voor omwonenden van elektronische beats zal ik niet twisten; waarbij ik overigens beken zelf liefhebber te zijn van sommige house en dance – is volgens de auteurs ‘fout’, waarmee ze elk debat over wat wel en wat niet in de openbare ruimte thuishoort bijvoorbaat uitsluiten. Oftewel, de jurist Roels en stadsgeograaf Smulders bepalen wel even wat wel en niet is geoorloofd; zij ontzeggen Utrechters die met democratisch recht en reden aandacht vragen voor wat steeds meer stadsbewoners ervaren als invasieve, de gezondheid aantastende overlast. Dat noem ik pas dictatoriaal.

Voor alle duidelijkheid: geen zinnig mens is tegen een feestje op z’n tijd en wie in een stadscentrum woont, neemt behoorlijk wat overlast vrijwel altijd graag voor lief. De opstand van een ‘kleine demografische minderheid in de Randstad’, aldus Roels en Smulders, betreft extreme en steeds frequentere aantasting van het woongenot, tot ver over de grens van het aanvaardbare. Nog wat slecht nieuws voor de auteurs: het zijn allang niet meer alleen ouderen die klagen maar steeds vaker ook jonge gezinnen, thuiswerkende zelfstandigen en jongere werkenden/studerenden die het lawaai ontvluchten. Binnensteden als permanent pretpark annex horeca inrichten maakt ze voor ieder ander gebruik, buiten de platte commercie die Roels en Smulders ‘kunst en cultuur’ noemen, tamelijk ongeschikt. Is dat vrijheid?

Ondertussen lijken Roels en Smulders het tij niet mee te hebben. Gemeenten en instanties als de politie en het Rode Kruis maken zich in toenemende mate zorgen over het enorme aantal festivals en evenementen in de openbare ruimte, zo meldt de Volkskrant.  Het aantal festivals groeide van 708 in 2012 naar maar liefst 934 in 2016. Dat begint te schuren, stelt Martijn Mulder, hoofddocent aan de Hogeschool Rotterdam, want steden verdichten zich. Er zijn meer mensen in de stedelijke ruimte, dus is er sneller overlast. Het uitgaansleven is verlegd van discotheken en clubs naar festivals. Mulder in de Volkskrant: ‘Dat heeft tot gevolg dat festivalbezoekers rond drie uur ‘s middags al dronken of met pillen op door een woonwijk struinen of door de Albert Heijn, waar buurtbewoners hun zaterdagboodschappen doen.’ Ook stelt de onderzoeker: ‘Maar het cliché van de chagrijnige 70-plusser die zeurt over geluidsoverlast, klopt volgens mij niet altijd. Ik merk ook dat jongere mensen die zelf graag een festival bezoeken soms vinden dat de grens is bereikt.’

Ten slotte: ook ondergetekende ziet het als een verworvenheid van de achterliggende decennia dat de beleving van muziek – en cultuur in het algemeen – zijn gedemocratiseerd door onder andere relatief laagdrempelige festivals in de openlucht. Wat ooit begon met popfestivals als Woodstock en in eigen land het Holland Pop Festival in het Kralingsebos kent inmiddels een traditie die mag worden gekoesterd. Denk aan Pinkpop, Lowlands, de Zwarte Cross, Best Kept Secret, Down the Rabbit Hole en ook aan meer mainstream dance-festivals. En niet in de laatste plaats denk ik aan culturele evenementen als Oerol, het Grachtenfestival, de bevrijdingsfestivals, poëziefestivals in parken, de beroemde podia in bijvoorbeeld het Amsterdamse Bos en het Vondelpark. Ze horen er inmiddels bij. Voorwaarde om deze traditie in stand te houden is wel dat het draagvlak niet wordt ondermijnd door een te commercieel karakter, te veel nadruk op horeca, een overmaat aan festivals, stelselmatige overlast voor omwonenden en een te groot beslag op de openbare ruimte en/of verstoring van natuur en relatieve stiltegebieden.

Zelf ben ik als deelraadslid in Amsterdam-Centrum betrokken geweest bij de totstandkoming van het gemeentelijk evenementenbeleid. Toen al signaleerde ik – samen met andere kritische raadsleden – een te grote belasting van delen van de Amsterdamse binnenstad, door een al te ruimhartig beleid en het ontbreken van mogelijkheden om de overlast binnen de perken te houden. Bijkomend probleem: het bleef niet bij de festivals, in een stad als Amsterdam hadden – en hebben – we ook te maken met jaarlijks terugkerende feesten als Koningsdag (v/h Koninginnedag), Gay Pride en Canal Parade, Hartjesdagen, 4/5 Mei Concert etc. En tussendoor claimen georganiseerde feestgangers de openbare ruimte, van bierfietsers en feestboten tot vrijgezellenparty’s.

Iedere gemeente dient mijns inziens een evenementennota op te stellen, waarin duidelijke kaders zijn aangegeven zoals een maximaal aantal openluchtfestivals op daartoe geschikt bevonden plekken in de stad of daar direct buiten. Ook moet worden erkend dat dance (house, disco etc.) door de zware bassen en beat, die vooral door niet-deelnemers aan een feest vaak als uiterst indringend wordt ervaren, niet voor iedere locatie geschikt is. Het hanteren van een decibel-limiet is voor dance niet altijd voldoende. Dit is geen kwestie van smaak maar van volksgezondheid. 

Be the first to comment on "KLaagzang van binnenstadbewoners"

Leave a comment

Your email address will not be published.

*