Persvrijheid versus vrijheid van meningsuiting

marot_WernervandenValckert

Op 3 mei, de Internationale Dag van de Persvrijheid, stonden journalisten stil bij de groeiende personvrijheid. Zo vroeg NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch aandacht voor de ban die Israël over zijn krant had uitgeroepen. Ondertussen vergaderde de VVD over de vraag of de op verdenking van onethische zelfverrijking in opspraak geraakte partijvoorzitter Henry Keizer wel kon aanblijven, zelfs nadat deze het journalistieke platform Follow the Money de toegang tot zijn persconferentie had ontzegd. In radiodiscussies en opiniestukken werd ons door journalisten ingepeperd dat zelfs in eigen land een dag van de persvrijheid broodnodig is. Wat alleen steevast ontbreekt, is ook maar de geringste neiging tot zelfreflectie. Persvrijheid is geen vanzelfsprekendheid, het is een bevochten recht, volgend uit de vrijheid van meningsuiting en voor wat betreft ‘de pers’ in niet onbelangrijke mate gefundeerd op een algemeen aanvaarde maatschappelijk belang en bijbehorend verantwoordelijkheidsgevoel… en voor je het weet, zitten we middenin de GeenStijl-discussie.

Voor alle duidelijkheid, persvrijheid is het grondwettelijk verankerde recht van een ieder om ideeën en gevoelens via de drukpers kenbaar te maken en te verspreiden. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt censuur en bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. In logisch vervolg – gezien de technische ontwikkelingen – op het beperkende concept van ‘drukpers’ bepaalt Lid 3 van Artikel 7 dat persvrijheid ook via andere wegen dan de drukpers kan worden genoten. Denk aan radio en televisie – voor zover het uitzenden an sich is vergund – toneel, boeken, internet etc. Alleen op handelsreclame is persvrijheid nadrukkelijk niet van toepassing.

Vrijheid van ‘pers’ betreft niet alleen de journalistiek, oftewel die vormen van nieuws- en opinieverspreiding (‘ideeën en gevoelens’) die we nog steeds aanduiden met het archaïsche begrip ’pers’ – zie ook termen als perskaart, persconferentie en ‘de pers’ als verzamelnaam voor journalisten. De term stamt uit een tijd waarin de verspreiding van nieuws en opinie nog vooral via gedrukte (massa)media verliep. Persvrijheid geldt dus voor iedereen; een betere term is dan vrijheid van meningsuiting, waarbij in principe iedere uitingsvorm mogelijk is, van pamflet tot boek en van speakers’ corner tot Twitter en blog. Toch richt het discours over persvrijheid zich toch vooral op ‘de pers’ als verzamelnaam voor mensen die van nieuwsmaken en verspreiden hun beroep hebben gemaakt, oftewel journalisten. Voor die specifieke vorm van persvrijheid of vrije nieuwsgaring gelden aanvullende afspraken, al dan niet stilzwijgend. Het gaat daarbij vooral om privileges die journalisten genieten en die noodzakelijk worden geacht om hun vrijheid van pers ook gestalte te geven.

Iedereen mag iets roepen maar niet iedereen krijgt daar ook de gelegenheid voor – al heeft het internet de vrije meningsuiting enorm verbreed. Niet iedereen krijgt zomaar toegang tot alle mogelijke nieuwsbronnen.

Nederland kent een lange traditie als het gaat om vrijheid van pers, in de zin van journalistieke vrijheid. Met enig historisch onderzoek valt wellicht zelfs te onderbouwen dat journalistieke persvrijheid in de lage landen ouder en constanter is dan de algemenere vrijheid van meningsuiting c.q. vrijheid van pers voor jan en alleman. De vrijheid, hoe relatief en vaak bevochten ook, om couranten te drukken en te verspreiden met standpunten die niet de officiële staatskoers en de politieke of religieuze mores van dat moment weerspiegelen stamt uit de achttiende eeuw met voorlopers in de zeventiende. Zonder al te zeer uit te wijden over de geschiedenis van de persvrijheid mag worden gesteld dat zij een recht is met een lange geschiedenis. Het huidige Artikel 7 van de Grondwet voert terug op Artikel 16 ‘Vrijheid der Druk-pers’ uit 1798.  De huidige tekst, althans Lid 1, dateert van 1848 (Art. 8). Dat Nederland de persvrijheid hoog in het vaandel voert, is niet los te zien van een bijna even lange democratische traditie. Persvrijheid geldt als voorwaarde voor democratie, en daarbinnen spelen media die een groot publiek oftewel electoraat kunnen bereiken een cruciale rol.

Behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet

De maatschappelijke relevantie van persvrijheid zit vooral in het idee dat een democratie niet kan functioneren zonder vrije pers. Dat veronderstelt een groot verantwoordelijkheidsgevoel binnen de beroepsgroep van journalisten, die zich op z’n minst uit in de erkenning en het respecteren van de beperkingen die de vrijheid van pers ook oplegt. Artikel 7 van de Grondwet stelt immers: ‘…behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’ De Code van Bordeaux, diverse journalistieke guidelines en menig redactiestatuut getuigen van die verantwoordelijkheid. Journalistieke regels gaan over zaken als hoor en wederhoor, feiten checken, je niet laten omkopen, met open vizier strijden, zo neutraal mogelijk proberen te zijn etc. Tegenover dit verantwoordelijkheidsgevoel oftewel het hanteren van een beroepsethiek staan zoals gezegd verworven rechten of privileges, althans in democratieën. Zo hebben Nederlandse journalisten, hoewel zij geen beschermd beroep uitoefenen (zoals artsen, notarissen en advocaten) een zeker verschoningsrecht. En meer dan dat: journalisten krijgen toegang tot plekken waar gewone burgers doorgaans niet welkom zijn zoals persconferenties, plaatsen delict (met politieperskaart) en politieke wandelgangen. Dit is de vrije nieuwsgaring die niet automatisch volgt op vrijheid van pers voor een ieder maar verbonden is aan de meer specifieke vrijheid van pers voor journalisten.

Maar als beoefenaar van een onbeschermd beroep – in Nederland mag iedereen zich journalist noemen – is voornoemd verantwoordelijkheidsgevoel geen vanzelfsprekendheid, zoals de privileges die journalisten genieten dat evenmin zijn… zie de affaire Keizer. Op een onethische uitoefening van journalistiek werk staat in beginsel geen straf in de vorm van uitsluiting. Zolang een zichzelf benoemd journalist binnen de wet opereert, kan hij hooguit door zijn werk-/opdrachtgever of door de Raad voor de Journalistiek op het matje worden geroepen. Beide instanties lijken in toenemende mate tandeloze tijgers te worden, al is het maar omdat steeds minder journalisten in vaste dienst werken, de ‘journalistieke’ blogs als paddenstoelen uit de grond rijzen en dan hebben we het nog niet eens over media die de Raad voor de Journalistiek niet erkennen of maling hebben aan het oordeel van de Raad.

Er zijn wel andere repercussies denkbaar, afgezien van vervolging wanneer de wet wordt overtreden. Zo weigerde VVD-voorzitter Keizer Follow the Money toegang tot zijn persconferentie. Beroemd is de ongemakkelijke scene waarin oud-minister Ella Vogelaar weigert GeenStijl-verslaggever Rutger Castricum te woord te staan, een actie waarmee de bewindsvrouw zichzelf flink in de vingers sneed. De staat Israël nam NRC-correspondent Derk Walters zijn visum af. En de meest opzienbarend in de recente geschiedenis is misschien nog wel de oproep aan adverteerders om GeenStijl te boycotten. .

De onbeschermde status van de journalist wordt door veel journalisten en hun belangenbehartigers als een groot goed gezien, als voorwaarde voor een vrije pers.

Iedere vorm van staatsbemoeienis of wettelijke inperking – van bijvoorbeeld het verschoningsrecht – wordt al snel gezien als aantasting van de persvrijheid. Die waakzaamheid is begrijpelijk, gezien het feit dat persvrijheid kwetsbaar is. De vraag is of de persvrijheid het best is gediend met vooral verzet tegen bedreigingen van buiten – zoals nu de gewoonte is – of dat zij ook intern onderzoek vereist, met de onvermijdelijke vraag naar legitimering en de mogelijke conclusie dat vrijheid alleen kan worden geborgd via beperkingen.

Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend

De keerzijde van ongelimiteerde persvrijheid is het fenomeen van de ‘roze plopkap’, die in 2008 een nieuwe vorm van nieuwsgaring inluidde: ongehinderd door enige journalistieke code of anderszins gemotiveerde fatsoensnorm doch ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’, zoals nog altijd het motto luidt van GeenStijl, de TMG-loot waaruit PowNed en zijn enfant terrible Rutger ‘roze plopkap’ Castricum (ex aequo Jan Roos) zijn ontsproten. Als iedereen zich journalist mag noemen, mogen de kruisvaarders tegen de politieke correctheid (lees: de linkse journalistieke en politieke elite) dat ook, ongeacht hun methode. Zo verschafte Castricum zich als ‘journalistieke nar’ toegang tot de wandelgangen van parlementariërs en bewindslieden. En evenzo wordt GeenStijl, dat in weinig op een klassiek journalistiek medium lijkt, meestal ook door een journalistieke bril beoordeeld, in elk geval door GeenStijl zelf.

De storm rond de Israëlische persbreidel en de wonderlijke wegen van de VVD-partijvoorzitter was nog niet geluwd of alle aandacht ging naar dat laatste medium, dat met sub-site Dumpert grossiert in het grof aanvallen van onder andere ‘linksige’ journalisten en opiniemakers van met name de Volkskrant en NRC Handelsblad en dan bijvoorkeur vrouwelijke journalisten. De site plaatste de foto van een haar onwelgevallige Volkskrant-journaliste met daarbij de zin: ‘Zou u haar doen? Graag alleen antwoorden met seksistische complimentjes’. Die oproep was niet aan dovemansoren gericht; honderden zogeheten reaguurders (GeenStijl-lezers) deelden enthousiast verkrachtingsfantasieën en beledigingen met hun mede-reaguurders en natuurlijk met de redactie van GeenStijl. Die plaatste de berichten gretig door, ongecensureerd uiteraard want GeenStijl ziet zichzelf als icoon van het vrije woord… mits dat vrije woord ‘tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend’ is. Kritiek op GeenStijl wordt dan ook steevast afgedaan als een aanval op het vrije woord. Dat GeenStijl zelf geen gelegenheid laat liggen om ‘links journaille’ de maat te nemen en – al dan niet lollig bedoeld – op te roepen tot (seksueel) geweld tegen de ‘collega’s’ van het vrije woord moet dan weer wel kunnen… dat is immers satire.

Ondertussen waren de journalisten in kwestie not amused, om niet te zeggen behoorlijk ontdaan na alle verkrachtingsdreigementen vanuit de GeenStijl-freundschaft. Feit is namelijk – al draaien ze de feiten in ‘alt-rechtse’ kringen graag om, steevast onder verwijzing naar de gruwelijke moord op Pim Fortuyn – dat het risico slachtoffer te worden van rechts geweld (inclusief sektarisch islamistisch geweld, want dat is evident ook ultra-rechts, al walgt wit-rechts nog zo van die gedachte) in Nederland groter is dan de dreiging van links. Er is weinig voor nodig om een opgefokte PVV-stemmende voetbalhooligan op een linkse opiniemaker of politicus af te sturen, terwijl sociopathische dierenactivisten godzijdank vrij zeldzaam zijn – waarmee ik voor alle duidelijkheid sektarisch links geweld zeker niet bagatelliseer. Politiek geweld in vredestijd is altijd en zonder voorbehoud verwerpelijk, ongeacht de ernst en de agressor. De aangevallen journalisten/opiniemakers hadden alle reden om zich druk te maken over de beledigingen en digitale dreigementen op GeenStijl. Ze reageerden met de oproep aan adverteerders om GeenStijl te mijden. ‘Pak ze waar het pijn doet, in hun spreekwoordelijke ballen oftewel portemonnee.’

De actie had zowaar effect, met natuurlijk de voorspelbare reactie van GeenStijl:

(…) ‘Moeten GeenStijl en Dumpert kapot? Moet het pluriforme medialandschap nog verder worden beknot? Moet de vrijheid van meningsuiting worden gesloopt? Zijn Reviaanse ironie, de hyperbool en snoeiharde satire VERBOTEN in het postmoderne tijdperk van de veel te snel gekwetste safe space-denkers? Denken deze ondertekenaars (onder wie Ryanne Hertzberger, Loes Reijmer, Esma Linneman (wie?), Anousha Nzume en Sunny Bergman) dat botte comments van het internet verdwijnen als zij onze persvrijheid en vrijheid van meningsuiting op deze laffe manier aanvallen en inperken? Komen deze bedompte dames nooit op Facebook, YouTube of in de panelen onder berichtgeving over lekkere wijven op welke site dan ook? Zijn zij nog nooit in een kleedkamer, café of dispuutskroeg geweest? Hebben zij geen humor (die was retorisch – red.)? Of is het gewoon onvervalste succeshaat van analoge bejaarden uit de oude media, omdat deze reactievideo op Dumpert al meer views heeft dan de oplage van de beide kranten bij elkaar opgeteld? We zullen het misschien ooit weten, maar nooit begrijpen. De vrijheid van meningsuiting is de allerbelangrijkste vrijheid die we hebben, omdat alle andere vrijheden en vooruitgang daaruit voortvloeien. GeenStijl zal daarom altijd strijden om de grenzen van de vrijheid zo ruim mogelijk te houden. Wat de vliegende bezembrigades van de dode bomen ook proberen’, aldus GeenStijl.

Even wat trefwoorden uit dit hoofdredactionele commentaar op de tegenactie van Hertzberger, Reijmer cs: pluriforme medialandschap, vrijheid van meningsuiting (3x), Reviaanse ironie, hyperbool en snoeiharde satire, persvrijheid. Het is een ratjetoe, zoals GeenStijl dat ook is, compliment met curieuze omdraaiingen zoals verwijzingen naar nazi-Duitsland als het om links gaat. Harde satire inderdaad en Reviaanse ironie (al zal menig reaguurder zich op het hoofd krabben bij deze termen) voor wie die kwaliteiten in GS wil ontdekken; het onderscheid op GS tussen satire/ironie en politiek commentaar zonder een spat humor is namelijk nogal eens ver te zoeken, of die humor zou louter in de soms inderdaad grappige woordverdraaiingen moeten zitten.

GS is hoe dan ook meer dan satire; het is de kraamkamer van maar liefst drie politieke partijen (GeenPeil, VNL en FvD) en een anti-EU referendum. GeenStijl is niet zomaar een medium, het is een activistisch medium, een partijkantoor van populistisch rechts… ah, dát zal met Reviaans worden bedoeld want ook Reve was niet bepaald links, ondanks zijn voor die tijd liberale opvattingen over homo- en pedoseksualiteit.

Maar het meest bont maakt GS het toch wel met zijn claims op persvrijheid en pluriform medialandschap.

Om met het laatste te beginnen. Media is een wijds begrip maar hier wordt door GeenStijl ongetwijfeld op dragers van journalistiek werk gedoeld, ook wel aangeduid als ‘de pers’, zoals in het begin van dit artikel toegelicht. De GS-hoofdredacteur zal zijn medium niet willen vergelijken met de Donald Duck of met een floppydisk – ook een ‘informatiedrager’. De claim is dus dat GeenStijl bijdraagt aan het pluriforme perslandschap, en dan natuurlijk ‘pers’ in de moderne betekenis van journalistiek – i.c. ook via digitale platforms. Voor alle duidelijkheid, de pers omvat inderdaad ook nevenactiviteiten als cartoons, strips, commentaar, opinie, faits divers, cultuur, amusement en zeer zeker ook satire… maar de core business van de pers is journalistiek in de vorm van nieuws, achtergronden, reportages, interviews etc. Het louter doorplaatsen en becommentariëren van nieuwsfeitjes en YouTube-filmpjes is nog geen journalistiek. Met andere woorden, wat GeenStijl aan een pluriform medialandschap toevoegt, is onduidelijk.

Evenzo lijkt mij het beroep op persvrijheid misplaatst, tenzij de GS-hoofdredacteur daarmee de voor iedereen geldende vrijheid van meningsuiting bedoelt, het recht van een ieder zijn gedachten via druk, rtv of internet te verspreiden. De geduldige lezer zal inmiddels hebben begrepen dat schrijver dezes kiest voor het onderscheiden van ‘persvrijheid’ en de ‘vrijheid van meningsuiting’. Ik reserveer de term persvrijheid voor de vrijheid van de pers om dat te doen waarvoor de pers, i.c. de journalistiek in het leven is geroepen en waartoe bepaalde privileges (verschoningsrecht, toegang) zijn verkregen. Persvrijheid koesteren mag in het verlengde liggen van ieders vrijheid van meningsuiting, maar het betreffen hier mijns inziens wel degelijk grootheden van een verschillende orde.

De vrijheid om te kwetsen… maar binnen de grenzen van de wet

GeenStijl of welke vorm van satire dan ook valt onder de vrijheid van meningsuiting. Daar is geen discussie over. Evenzo valt de mening dat GS grenzen overschrijdt onder die vrijheid; en daarmee doel ik op de felle kritiek die GS ten deel is gevallen van vooral vrouwelijke journalisten en opiniemakers die zich door het medium bedreigd voelen. GeenStijl biedt op z’n minst ruimte aan teksten van reaguurders die – door potentiële slachtoffers én dito daders – kunnen worden ervaren als een oproep tot (seksueel) geweld. Dat laatste roept direct de vraag op of GS niet over de wettelijke grenzen van de vrijheid van meningsuiting gaat, zoals bedoeld in Art. 7 van de Grondwet, met zijn uitingen aan het adres van – onder andere maar vooral – linkse politici, opiniemakers en journalisten. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed en dient zo ruim mogelijk te worden opgevat maar is nu eenmaal niet ongelimiteerd. De wet stelt grenzen aan die vrijheid via bijvoorbeeld het verbod op smaad, het iemand valselijk en ongefundeerd beschuldigen van strafbare feiten, en op het aanzetten tot discriminatie, haat en geweld.

Satire versus volksmennerij

Dat laatste ligt ingewikkeld. weten we dankzij processen tegen onder andere Hans Janmaat en Geert Wilders, dit nog los van de vraag of dergelijke politiek getinte processen verstandig zijn. En hoe zit het dan met ‘echte’ satire zoals de harde humor van cabaretiers als Theo Maassen en Hans Teeuwen? GeenStijl ziet zichzelf als erfgenaam van Theo van Gogh, als de Nederlandse Charlie Hebdo en meent zich daarom dezelfde harde, politiek incorrecte humor te kunnen permitteren. Maar er zijn duidelijk verschillen. Charlie Hebdo noch genoemde cabaretiers hebben reaguurders met wie zij in voortdurende dialoog zijn op internet; zij werken volgens het aloude media- en theaterprincipe van eenrichtingsverkeer. Ook Theo van Gogh heeft bij mijn beste weten nooit ruimte geboden aan het opzwepen van de massa. Een ander duidelijk verschil is dat geen van genoemde satirici ooit politieke ambities hebben getoond. GeenStijl heeft drie politieke partijen gebaard en is een referendum gestart onder de naam GeenPeil. Alleen dat al maakt dat GS niet zomaar een satirisch medium (op internet) is zoals Charlie Hebdo of in eigen land het studentikoze Propria Cures.

GeenStijl zal zich verweren met de nodige jij-bakken. Ook opinieblog joop.nl en de ‘linkse’ pers, van de Volkskrant en Trouw tot het liberale NRC-Handelsblad, maken zich voortdurende schuldig aan ophitsing, stelt GS in een wel heel sneue voorstelling van zaken. Onderwerp van frustratie zijn een strip in Trouw, een column in diezelfde krant… van 16 jaar geleden en een interview met Sarah Sluimer waarin zijn ‘oproept’ (sic) om ‘types als Jan Roos’ in hun ‘spreekwoordelijke ballen te trappen’… Hier serieus op ingaan lijkt vrij zinloos, en dan zeker niet alleen omdat GS zich ook hier wellicht achter satire wenst te verschuilen.

Bij het bepalen of een tekst – journalistiek, satirisch, politiek of wat dan ook – de wet overschrijdt vanwege een mogelijk tot geweld, haat of discriminatie aanzettende boodschap is en blijft lastig. Taalwetenschappers – eerder dan juristen – moeten beoordelen of een uiting een directe of indirecte taalhandeling is. Dat is een uitspraak, in woord of schrift, die door een min of meer gespecificeerde ontvanger niet anders moet worden opgevat dan als een aansporing of opdracht om iets te doen (directief), of die dat effect op impliciete wijze beoogt te sorteren (indirect). Voorbeelden: ‘Doe de deur dicht!’, maar ook: ‘Wat een lawaai, zou u de deur willen sluiten?’ en: ‘Het is koud hier.’ (geuit in gezelschap van iemand die in de positie is om de deur te sluiten, dus een eind aan de kou te maken). Voorwaarden om een taalhandeling effect te laten sorteren zijn status van de zender (hoe serieus wordt iemand genomen, hoeveel gezag of charisma heeft iemand), de ontvankelijkheid van de ontvanger (hoe staat iemand t.o.v. het gevraagde, is het uitvoerbaar, past het in zijn positie en opvattingen etc.) en de context (maatschappelijk, situationeel etc.). In het geval van de Trouw-strip lijkt de kans niet groot dat de gemiddelde Trouw-lezer zich aangespoord voelt om het absurdistische voorbeeld van het stripfiguurtje te volgen en een lid van de GeenStijl-redactie – voor zover al traceerbaar – daadwerkelijk in zijn ballen te schoppen. Maar hoe anders ligt dat bij de reaguurders van GeenStijl, die in hun geschriften niet zelden blijk geven van een flink portie maatschappelijke frustratie en haat tegen de ‘politiek correcte elite’. Bovendien voedt GeenStijl met zijn beschuldigen aan het adres van ‘links’ (sinds Volkert van der G. komt de kogel steevast van links) het idee dat rechts zich juist tegen links geweld en linkse intolerantie moet verweren.

Iemand met een roze plopkap is nog geen journalist

Terug naar de Dag van de Persvrijheid en de stelling dat de pers, i.c. de journalistiek, te weinig aan zelfreflectie doet, oftewel de zaak van de roze plopkap. Zolang journalisten en hun belangenbehartigers zoals de NVJ, het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en het Genootschap van Hoofdredacteuren, twijfel blijven zaaien over de status van de pers, i.c. de journalist, kan iedere blogger zich achter de vrijheid van drukpers verschuilen en roepen ‘in het algemeen belang de journalistieke vrijheid te benutten’, met dus als consequentie dat aanstalten om de grenzen van die vrijheid ter discussie te stellen automatisch leiden tot beschuldigingen van censuur, of preciezer persbreidel. Om de persvrijheid, zoals bedoeld met de Dag van de Persvrijheid, optimaal te borgen is erkenning nodig van de scheiding tussen enerzijds de vrijheid plus bijhorende privileges die journalisten (journalistieke media, oftewel ‘de pers’) genieten en anderzijds de vrijheid van meningsuiting van een ieder. Zonder te pleiten voor het omheinen van de journalistiek, stel ik vast dat de weigering van de journalistiek om zichzelf als beroepsgroep te beschermen tot verwarring leidt en op termijn tot ondermijning van de persvrijheid. Wie tegen een roze plopkap aanloopt, tegen een zichzelf als journalist presenterende nar die tendentieus, nodeloos kwetsend en ongefundeerd satire bedrijft – of is het nieuws… of politieke actie, of toch satire? – moet zich op een gegeven moment wel afvragen of hij journalisten überhaupt nog wel serieus moeten nemen en moet faciliteren.

Onbeschermd maar wel afgeschermd

Overigens is het beroep van journalist wel degelijk meer beschermd, of liever afgeschermd dan de beroepsgroep graag doet voorkomen. Alleen gaat het dan primair om de status van de mediamaker, in dienst van of werkend als erkend freelancer voor een medium – uitgever of omroep – dat door een of andere vage ballotage is gekomen. Niet iedere blogger of maker van een actieblaadje is in Nieuwspoort welkom; de NVJ praat alleen met door de bond erkende media; de hoofdredacteur van pakweg Ravage (verschijnt tegenwoordig alleen nog als webzine) is geen lid maar die van kook- en reisblad Jamie Magazine is dan weer wel uitgenodigd lid van het Genootschap van Hoofdredacteuren. In die zin heeft GeenStijl een punt: er is inderdaad sprake van een journalistieke elite, een soort old boys network… maar dat netwerk is in elk geval niet zo links als GS steevast suggereert. Het zou de democratie dienen en de vrijheid van pers zeker geen schade berokkenen als de journalistiek zichzelf op basis van heldere criteria – de eigen codes – zou definiëren en presenteren; daarmee automatisch andere mediavormen tot niet-journalistiek verklarend en dus niet vallend onder de persvrijheid, als meer specifieke vorm van de vrijheid van pers of meningsuiting zoals bedoeld in Artikel 7 van de Grondwet.

Vanzelfsprekend mogen alle niet-journalistieke media zich ook dan nog steeds op Artikel 7 beroepen: kook- en reisgidsen, kinderstrips, satirisch tv-programma en dito blogs, zuiver opiniebladen, de zogeheten roddelpers – al kan daar discussie over ontstaan – en andere vormen van amusement. Zij genieten alleen niet, althans niet vanzelfsprekend de journalistieke privileges als verschoningsrecht en optimale toegang tot primaire nieuwsbronnen. Uiteraard geldt voor alle vormen van media dat zij zich rekenschap zullen moeten geven van het hele Artikel 7, inclusief de bepaling ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’.

Be the first to comment on "Persvrijheid versus vrijheid van meningsuiting"

Leave a comment

Your email address will not be published.

*